Uitdrogingssnelheid en het effect van kleine temperatuursverschillen tijdens de bewaring

J. Wildschut, M.H.G.E. Dijkema

    Research output: Book/ReportReportProfessional

    Abstract

    Om te laten zien wat in een bewaarcel gebeurt, is door PPO Bloembollen in 2013 een rekenmodel omtwikkeld. Hiermee kan op basis van omstandigheden (het percentage zure bollen, de ademhaling, de uitdrogingssnelheid, en de temperatuur en RV van de buitenlucht) en van instellingen (de ventilatie- en de circulatiehoeveelheid, de spreiding hierin en de gewenste bewaartemperatuur) het klimaat in de bewaarcel op verschillende niveaus worden berekend: gemiddeld in de cellucht, gemiddeld tussden de bollen en gemiddeld in de meest en in de minst beluchte kubbskist. Dit bewaarklimaat wordt gekarakteriseerd door het ethyleengehalte, het CO2-gehalte, de RV en de temperatuur. Het model rekent ook de bijbehorende energiekosten uit. Met dit BewaarModel kan de teler nagaan hoe onder uiteenlopende omstandigheden het optimale bewaarklimaat tegen de laagste energiekosten te realiseren is. Doelstelling van dit project is om voor een aantal belangrijke bolgewassen (lelie, tulp, hyacint) gedetailleerdere kennis te genereren met betrekking tot de uitdroging en tot het maximaal toelaatbare temperatuurverschil tussen de bollen in de minst en die in de meest beluchte kuubskist. Ter bepaling van de uitdrogingssnelheid zijn op 4 praktijkbedrijven en in klimaatkasten bij PPO in Lisse 8 verschillende tulpencultivars ruim 3 maanden bewaard en om de 2-3 weken gewogen. Op van 9 cultivers van hyacint zijn op 3 bedrijven monsters genomen en in klimaatkasten bewaard. Het gewichtsverlies bij de bewaring van tulpenbollen (na de nadroogfase) bleek constant en kan oplopen tot 9,5 liter/week per m3 bollen. Bij hyacintenbollen was het gewichtsverlies tijdens de bewaring ook constant, en kan oplopen tot 5,3 liter/week. Ter bepaling van het maximaal toelaatbare temperatuurverschil zijn 4 tulpencultivars en 2 leliecultivars vanaf week 1 in januari respectievelijk 40 dagen en 82 dagen in klimaatkasten bewaard bij ingestelde geoogst waarna plantgewicht, plantlengte en gemiddelde oogstdatum zijn bepaald. De leliebollen zijn beoordeeld op aantal uitgelopen spruiten. De temperatuurbehandelingen van de tulpenbollen in de klimaatkasten leidden bij de oogst niet tot verschillen in plantgewicht, plantlengte en oogstdatum. Voor de leliecultivar Nova Zembla kon geen betrouwbare toe- of afname van het percentage uitgelopen spruiten per graad temperatuursverschil in de range van 0,6 tot 3,5°C worden afgeleid. Bij Original Love komt uit deze proef dat het percentage uitlopers per graad temperatuursverschil in die range tussen 0,4% en 3,5% ligt (gemiddeld 2%). Bij een temperatuursverschil van 0,1°C tussen de minst en de meest beluchte kist is her verschil in percentage uitlopers dan slecht 0,2%. Uit het doorrekenen van de consequenties van bovenstaande bevindingen met het BewaarModel volgt dat bij een hogere verdamping iets meer geventileerd moet worden om een te hoge RV tussen de bollen te voorkomen. Loopt daarnaast de buitentemperatuur op, dan is het laten oplopen van de celtemperatuur een ernegetisch duurdere oplossing dan het laten oplopen van de RV, maar beter voor de bolkwaliteit. Wanneer de verdamping hoger is loopt het maximale temperatuursverschil tussen de minst en de meest beluchte kist echter minder op. Er kan daardoor in voorkomende gevallen zonder verlies van productkwaliteit meer worden terggetoerd en zo meer energie worden bespaard. Bij de heetstook van hyacint is het verbeteren van de luchtverdeling over de kisten de beste optie. Door bij zowel de warme als bij de koude bewaring een hoger maximaal temperatuursverschil tussen de minst en de meest beluchte kist toe te staan kan met minder toeren worden gecirculeerd en kan meer energie worden bespaard. Gezien het bovenstaande is het aanbevolen om bij het doorrekenen van bewaarscenario's met het BewaarModel van de hogere verdamping uit te gaan. Hierdoor worden realistischer resultaten berekend. De bewaarproeven naar de effecten van de kleine temperatuursverschillen bij de bewaring zouden herhaald moeten worden. Als ook bij herhaling geen of nauwelijks effecten kleine temperatuursverschillen worden gevonden kan met grotere zekerheid en vertrouwen in behoud van productkwaliteit de circulatie teruggetoerd worden en zo meer op energie(kosten) worden bespaard.
    Original languageDutch
    Place of PublicationLisse
    PublisherPraktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF
    Number of pages21
    Publication statusPublished - 2015

    Cite this