Trends in bot (Platichthys flesus)

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

In het voorliggende rapport worden de trends van bot aantallen en biomassa (Platichthys flesus) in de zoete Rijkswateren, overgangswateren en de Noordzee besproken. Afsluitend worden conclusies getrokken uit de trends, worden er kennislacunes geïdentificeerd en aanbevelingen gedaan met betrekking tot het verbeteren van inzicht in de ontwikkeling van de botpopulatie. De aantallen van bot lijken in de Noordzee en het IJsselmeer gestaag af te nemen. Uit de verschillende monitoringen blijkt dat de grote/oudere individuen als eerste afnemen en vervolgens de kleinere (meerjarige) individuen. Deze afname is ook terug te zien in de aanlandingen vanuit de Noordzee en het IJsselmeer. Deze afname lijkt niet alleen in de Noordzee maar ook in de Oostzee te zijn. Als mogelijke oorzaken voor deze afname noemen deze auteurs o.a. visserij, verandering van de voedselbeschikbaarheid, de afname van de saliniteit en de toename van de temperatuur. De afname van grotere individuen wordt vaak waargenomen wanneer er een hogere mate van visserij is. Door de hogere visserijdruk op grote individuen vindt er selectie plaats waarbij vissen die langzamer groeien in het voordeel zijn. Een langzamere groei kan ook het gevolg zijn van veranderingen in temperatuur of voedselbeschikbaarheid. Deze langzamere groei kan er ook weer voor zorgen dat bot voor een langere periode kwetsbaar is voor predatie, aangezien de kans om gepredeerd te worden afneemt met de groei van een vis. De langzamere groei en het kleinere formaat van de vis kunnen op hun beurt ook weer de reproductie van de gehele populatie negatief beïnvloeden, aangezien grotere individuen over het algemeen een hogere fecunditeit hebben. Recentelijk is aangetoond dat de toenemende zeewater temperatuur in de Waddenzee samenvalt met afnames van verschillende koudeminnende platvissoorten. De zomertemperaturen in de Waddenzee bereiken de kritische grens van nuljarige bot en gaan daar soms overheen. Hierbij is het aantal bot larven dat de Waddenzee in migreert ook sinds 1980 afgenomen. Juveniele bot groeit nog wel op in de Waddenzee maar gebruikt voornamelijk de diepere (koelere) wateren. Opvallend genoeg lijkt het aantal 1-2-jarige bot in de Waddenzee niet af te nemen. Het is mogelijk dat, zoals aangetoond is voor schol en tong, er een habitat shift bij bot gaande is richting noordelijkere en diepere gebieden in de Noordzee, waarschijnlijk als een reactie op klimaatverandering, hier zou echter onderzoek naar gedaan moeten worden of dit daadwerkelijk het geval is. Op de overige zoete Rijkswateren (benedenrivieren, getijden Maas/Lek) en overgangswateren (Westerschelde, Eems estuarium) lijkt er eerder weer sprake een toename van bot te zijn. Na een periode van lagere vangsten in ~2005-2015, wordt er de laatste 6-7 jaar weer meer nuljarige bot gevangen op deze locaties. Met name de toename van nuljarige bot in de Westerschelde valt op, waarbij de oorzaak van deze toename onbekend is. In de Oosterschelde lijkt er, net als de op de Noordzee, een afname van bot zijn. De afname van bot op de Noordzee kan meerdere oorzaken hebben, een eenduidige oorzaak lijkt er niet te zijn. Hier ligt een kennisleemte, de verwachting is wel dat de toenemende temperaturen in de kraamkamers van bot ervoor zullen zorgen dat de periode met de optimale temperatuur voor groei en ontwikkeling van bot steeds kleiner wordt en dat de groei condities in de late lente en zomer steeds ongunstiger worden aangezien de temperatuur steeds vaker boven de tolerantiegrens zal komen. Verder zou het interessant zijn om te onderzoeken waarom de Westerschelde sinds 2007 een enorme toename van nuljarige bot laat zien. Het achterhalen van dit fenomeen zou inzicht kunnen geven in de toekomstige ontwikkeling van de botpopulaties in de andere overgangsgebieden.
Original languageDutch
Place of PublicationIJmuiden
PublisherWageningen Marine Research
Number of pages71
DOIs
Publication statusPublished - 2023

Publication series

NameWageningen Marine Research rapport
No.C080/23

Cite this