Toepassing van Moddus in graszaadgewassen, oogst 2001

R. Kassies, G.E.L. Borm

    Research output: Book/ReportReportProfessional

    Abstract

    Onderzoek werd uitgevoerd naar het optimale gewasstadium voor toepassing van Moddus in zaadgewassen bestemd voor de eerste en tweede zaadoogst van Engels raaigras, veldbeemdgras en roodzwenkgras. Bij de gewassen bestemd voor de tweed zaadoogst zou het effect van een vroege toepassing van 0,8 L Moddus per ha (DC25-30) worden vergeleken met een toepassing op het aanbevolen gewasstadium voor raaigrassen (DC30-31) en een laat stadium (DC33-37). Dit onderzoek werd uitgevoerd bij een gangbaar en een verhoogd stikstofbemestingsniveau. Bij de eerstejaarsgewassen zou een toepassing van 0,8 L Moddus per ha worden beproefd op het voor raaigras aanbevolen gewasstadium voor toepassing (DC30-31) en daarnaast een late (DC33-37) en gedeelde toepassing over beide stadia. Bij veldbeemd- en roodzwenkgras zou dit bij een gangbare en verhoogde stikstofbemesting gebeuren. Bij Engels raaigras zou de proef bij een gangbare stikstofbemesting met twee rassen met een sterk verschillend type (grasveldtype / tetraploïd hooitype) worden uitgevoerd. Het onderzoek in 2001 is minder goed verlopen dan in de twee voorafgaande jaren. Zo kwam de in open land gezaaide proef met Engels raaigras niet goed de winter uit. Met name de stand van het ras van het grasveldtype was te onregelmatig. Daardoor werd de beoogde proefopzet gewijzigd en bij één ras een proefopzet als bij de twee overige eerstejaarsgewassen gehanteerd. Bij het eerstejaars roodzwenk vond de tweede Moddusbespuiting op een verkeerde wijze plaats. Met name bij het tweedejaars gewas Engels raaigras werden de bespuitingen later uitgevoerd dan wat werd beoogd. Twijfels bestaan tenslotte over de juiste uitvoering van de verhoogde stikstofbemesting in de proef met eerstejaars Engels raaigras waarin ook nog muizen hinderlijk optraden. Ondanks het minder optimale verloop van de proeven konden een aantal duidelijke conclusies worden getrokken. Net zoals in voorgaande jaren werd de ontwikkeling van de zaadgewassen niet of nauwelijks beïnvloed door toepassing van een Moddusdosering van 0,8 L per ha. Zoals in het voorafgaande jaar bij Engels raaigras als was waargenomen, waren de effecten van de Moddustoepassing sterker naarmate de toepassing later was. Dat was in 2001 ook bij veldbeemdgras en roodzwenkgras het geval. In de eerstejaarsgewassen werd bij Engels raaigras en veldbeemdgras geen betrouwbare opbrengstverhoging door de toepassing van Moddus bereikt. Dat was bij alle drie de soorten wel het geval voor de overjarige gewassen. Bij Engels raaigras kan dit vermoedelijk worden teruggevoerd tot de goede weersomstandigheden tijdens de bloei respectievelijk zaadvulling en de verstoringen (o.a. muizenschade) die in deze proef optraden. Bij de proef in het eerstejaars gewas veldbeemdgras trad ook bij de verhoogde stikstofgift geheel geen legering op. Bij het eerste jaarsgewas roodzwenkgras werd bij toepassing van 0,4 L Moddus per ha een betrouwbare opbrengstverhoging bereikt, die, mogelijk door het vrij gunstige weer tijdens de bloei, niet verder toenam door verhoging van deze dosering. Bij de tweedejaars gewassen trad bij roodzwenkgras alleen bij late toepassing (DC33-37) van Moddus een betrouwbare verhoging van de zaadopbrengst op. Bij het overjarig gewas veldbeemd, waar net zoals bij het eerstejaars gewas ook geen legering optrad, was het effect op de zaadopbrengst groter naarmate Moddus later (tot DC 33-37) werd toegepast. Bij het tweedejaars gewas Engels raaigras leidde een latere toepassing (DC 31-33/ DC 35-37) ook tot een sterkere verhoging van de zaadopbrengst dan de toepassing op het aanbevolen gewasstadium (DC30-31).
    Original languageDutch
    Place of PublicationLelystad
    PublisherPraktijkonderzoek Plant & Omgeving, Sector AGV
    Number of pages75
    Publication statusPublished - 2002

    Cite this