The ecological modernization of production and consumption : essays in environmental sociology

Research output: Thesisinternal PhD, WU

Abstract


Milieusociologen maken studie van milieubederf en milieubeheer als maatschappelijke verschijnselen. Zij bestuderen de manier waarop milieuproblemen samenhangen met de organisatievorm van de moderne maatschappij alsmede de wijze waarop het tegengaan van milieubederf onderdeel wordt van de reflexieve sturing van de samenleving door gouvernementele en niet-gouvernementele actoren. De centrale stelling die in het proefschrift wordt ontwikkeld is, dat milieuproblemen de inzet kunnen en moeten vormen van een moderniseringsproces dat erop is gericht milieu-overwegingen blijvend te verankeren in de organisatie van de productie- en consumptie-cycli die het industriële karakter van de moderne maatschappij bepalen. Door dit proces van milieu-geïnduceerde veranderingen te bestuderen op het niveau van de institutionele organisatie van de samenleving en op het niveau van de organisatie van het alledaagse leven, kunnen sociologen een bijdrage leveren aan zowel de milieuwetenschap als het milieubeleid. De theorie van de ecologische modernisering van productie en consumptie zoals in eerste aanleg ontwikkeld door Joseph Huber en Martin Jänicke, representeert een van de centrale stromingen binnen de milieusociologie en kan werden gebruikt om tot een beter inzicht te komen in processen van milieuverandering in samenleving en beleid. In de verschillende hoofdstukken worden steeds onderdelen van de ecologische moderniseringstheorie verder ontwikkeld en besproken tegen de achtergrond van de sociaal wetenschappelijke en in het bijzonder de sociologische literatuur.

In hoofdstuk 1 worden de hierboven beschreven doelstelling en algemene benaderingswijze van de ecologische moderniseringstheorie nader geïntroduceerd en geplaatst in de context van het veranderende milieudebat zoals dat vanaf het begin van de jaren zeventig werd gevoerd met name in enkele westers-industriële landen. Het feit dat het een moderniserings-theorie betreft, impliceert dat afstand wordt genomen van de 'grenzen aan de groei' benadering die in de jaren zeventig een dominante positie innam in het milieudebat en waarin de ontwikkeling van een alternatieve, kleinschalige organisatievorm van productie en consumptie werd gezien als het wenselijke en noodzakelijke alternatief voor de gangbare, grootschalige, industrieel-kapitalistische organisatievorm van moderne samenlevingen. Als moderniseringstheorie kwam zij echter op haar beurt onder kritiek toen vanaf de jaren negentig de discussie over 'global (environmental) change' de aandacht richtte op de veranderende rol van enerzijds de politiek en anderzijds wetenschap en techniek in de huidige fase van de 'reflexieve moderniteit'.

Hoofdstuk 2 schetst de situatie in de Nederlandse milieusociologie wat betreft theorievorming en onderzoek in de periode tot het midden van de jaren tachtig. Deze situatie vormt de institutionele en disciplinaire achtergrond waartegen onze bijdrage aan de ecologische moderniseringstheorie moet worden begrepen. Met de milieukunde als dominante organisatievorm voor het bedrijven van milieuwetenschap en met een milieusociologische onderzoekstraditie die zich kenmerkte door een eenzijdige oriëntatie op empirisch, sociaal-psychologisch gefundeerd onderzoek, kon de uitgangssituatie voor de ontwikkeling van de milieusociologie tot het midden van de jaren tachtig niet als gunstig worden getypeerd. Tegen deze achtergrond wordt de noodzaak besproken om te komen tot de ontwikkeling van een theoretisch adequaat, sociologisch perspectief op het milieuvraagstuk. Daarbij wordt beargumenteerd dat de klassieke en hedendaagse varianten van de sociale ecologie noch de (neo) marxistische traditie veel bruikbare uitgangspunten bevatten voor het ontwikkelen van een dergelijk theoretisch perspectief.

In hoofdstuk 3 wordt de ecologische moderniseringstheorie besproken in relatie tot de verschillende de-, anti- en postmoderniseringstheorieën van zowel neo-marxistische als nietmarxistische aard. Daarbij concentreert zich de aandacht vooral op (de confrontatie met) de stroming van de 'contra- productiviteits'-theorieën die binnen de milieubeweging in de jaren zeventig veel aanhang en invloed hadden. De idee van een kleinschalige maatschappij als alternatief voor de modern industriële samenleving wordt besproken en bekritiseerd tegen de achtergrond van de veranderende relaties tussen het lokale en het globale niveau van moderne samenlevingen, die gekenmerkt worden door het zich steeds verder over tijd en ruimte uitstrekken van sociale relaties. De door Joseph Huber ontwikkelde theorie van ecologische modernisering neemt afstand van de kleinschaligheidsgedachte in zijn klassieke vorm en bepleit in plaats van een ontmanteling van de centrale instituties van de moderniteit juist een modernisering van deze instituties. Zijn theorie wordt besproken in relatie tot de veranderingen die zich in de loop van de jaren tachtig steeds duidelijker aftekenden zowel binnen het Nederlandse milieubeleid als in de Nederlandse milieu-beweging. Veranderingen die een ondersteuning lijken voor de centrale these van Huber, namelijk dat - na een fase van 'opbouw' - de fase van 'ombouw' van het industriesysteem is aangebroken. Een ombouw of 'switch-over' die in belangrijke mate gedragen wordt door niet- gouvernementele actoren en die een belangrijke rol toekent aan daartoe 'herprogrammeerde' wetenschap en techniek.

In hoofdstuk 4 wordt de schijnwerper gericht op een benadering binnen de (milieu)sociologie die op het eerste gezicht de centrale premissen van de ecologische moderniseringstheorie fundamenteel lijkt te weerspreken. De theorie van de risico-maatschappij zoals met name door Ulrich Beck gelanceerd en door Anthony Giddens mede ontwikkeld, legt grote nadruk op de onbeheersbaarheid en onomkeerbaarheid van milieuproblemen en brengt dit 'apocalyptische' karakter van milieuproblemen direct in verband met de onttovering van techniek en wetenschap en (het besef van) grenzen aan de stuurbaarheid van maatschappelijke ontwikkelingen. In plaats van een omslag in de richting van duurzame ontwikkeling wordt hier het perspectief geschetst van een samenleving waarbinnen de verdeling en toedeling van (milieu)risico's de dominante logica wordt. De ramp met de Tsjernobyl kerncentrale heeft volgens Beck een 'antropologische schok' teweeg gebracht waarbij mensen zich in een klap bewust werden van het feit dat essentiële in de zin van uiteindelijk levensbedreigende milieuproblemen niet langer zintuiglijk waarneembaar zijn en daarmee slecht met behulp van expert- kennis kunnen worden geduid. Terwijl enerzijds het besef van expert-athankelijkheid toeneemt, is er tegelijkertijd een groeiend bewustzijn van het feit dat wetenschap en techniek niet langer de onfeilbare bakens zijn voor onze omgang met onzekerheden. Het proces van 'onttovering' treft niet alleen wetenschap en techniek maar strekt zich ook uit tot de politieke arrangementen die in de periode van de 'simpele moderniteit' werden ontwikkeld: nationale politieke (milieu)arrangementen worden in werking en betekenis uitgehold onder invloed van een toenemende transnationalisering van politiek en economie. Hoewel de theorie van de risico-maatschappij op de hier genoemde onderdelen zeer waardevolle inzichten en vraagstellingen voortbrengt voor de milieusociologie, schiet zij naar onze mening tekort als milieusociologische theorie. Door een scherper onderscheid te maken naar onderscheiden categorieën van milieuproblemen, wordt het mogelijk de apocalyptische horizon van milieuhervorming specifiek te verbinden met een categorie van milieu-problemen die door Giddens als 'High-Consequence-Risks' (HCR) wordt aangeduid. Door niet op voorhand de specifieke kenmerken van HCR's ook van toepassing te verklaren op de overige milleuproblemen, ontstaat ruimte voor een meer genuanceerd beeld met betrekking tot de mogelijkheden voor het beheersen van milieuproblemen en de daarbij behorende rol van politiek en wetenschap.

In de hoofdstukken 3 en 4 ligt het accent in belangrijke mate op milieu-veranderingen op het institutionele niveau van de samenleving, waarbij bovendien de analyse van productie- en consumptiecycli voornamelijk vanuit de logica van de productiesfeer wordt ondernomen. In de hoofdstukken 5 en 6 wordt het accent verlegd naar het niveau van het alledaagse leven, naar het handelen van mensen die als kundige en bekwame actoren betrokken zijn bij de reproductie van milieu-arrangementen. Daarbij wordt bovendien aandacht gevraagd voor de noodzaak om productieen consumptiecycli (ook) vanuit de logica van de consumptiesfeer te analyseren. Door de ecologische moderniseringtheorie op beide punten te corrigeren en aan te vullen ontstaat een theoretisch meer adequate variant van het door Huber en Jänicke ontwikkelde basisschema.

Hoofdstuk 5 is geheel gewijd aan het klassieke micro-macro probleem in de sociale wetenschappen in het algemeen en in de sociale milieuwetenschappen in het bijzonder. Besproken wordt de manier waarop het actor-structuur dualisme binnen zowel het attitude-gedrag paradigma als in de zogenoemde rational choice en sociale dilemma benaderingen elk op een eigen wijze gereproduceerd wordt. Als alternatief worden besproken enerzijds de aan Elias ontleende civilisatie-theorie en anderzijds de door de Britse socioloog Anthony Giddens ontwikkelde structuratie-theorie. Beargumenteerd wordt dat de door Giddens ontwikkelde handelingstheorie een theoretisch adequate oplossing biedt voor het klassieke micro-macro probleem alsmede voor het conceptualiseren van het 'keuze-proces' van actoren dat zo centraal staat in het denken over milieu(on)vriendelijk gedrag. Door aan Giddens ontleende centrale begrippen als sociale praktijken, leefstijl, praktisch bewustzijn en dualiteit van structuur toe te passen op en uit te werken in het kader van het streven naar duurzame(r) leefstijlen, wordt een 'actor-georiënteerde' variant van de ecologische moderniseringstheorie ontwikkeld.

In hoofdstuk 6 wordt geconstateerd dat binnen het Nederlandse milieubeleid lange tijd een op de productiesfeer toegesneden analyse van het gedrag van burger-consumenten de dominante benadering vormde. Waar vanuit het beleid de grenzen van een dergelijke benadering steeds duidelijker worden onderkend, vraagt men de sociale wetenschappen nadrukkelijk om een bijdrage met betrekking tot de vraag hoe vanuit het beleid de zogenoemde 'moeilijk bereikbare doelgroepen' benaderd zouden kunnen worden. Om het gedrag van deze doelgroepen beter te begrijpen, dient men de dynamiek in en achter consumptiegedrag en de consumptiecultuur nader te onderzoeken. De relatie van mensen met goederen en diensten vormt het centrale object van de sociologie van de consumptie. Binnen de consumptie-sociologie wordt een sterke nadruk gelegd op de sociale of symbolische waarde van producten in plaats van op de objectieve kenmerken of de gebruikswaarde van producten die zo centraal staan in de milieuwetenschap. Tussen de eenzijdig op stofstromen gerichte milieuwetenschappen enerzijds en de eenzijdig op processen van distinctie en spel gerichte sociologie anderzijds wordt getracht een voor de milicusociologie bruikbare analyse te ontwikkelen, waarbij aan zowel de objectief-materiële als aan de sociale dimensie van consumptie aandacht wordt besteed en waarbij de wisselwerking tussen de sfeer van productie en de sfeer van consumptie een belangrijke plaats inneemt. Als startpunt voor een dergelijke analyse wordt de huishoudelijke consumptie genomen. Aan de hand van een aan Giddens ontleend model wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze de sociale praktijken die een rol spelen in de huishoudelijke consumptie, kunnen worden geanalyseerd. De door de Noorse socioloog Per Otnes ontwikkelde variant van Giddens' basisschema maakt inzichtelijk op welke manier huishoudelijke consumptiepraktijken verbonden zijn met wat hij noemt sociaal-materiële, collectieve systemen (SMCS) als het energie-, water- en afvalnetwerk. Door de ecologische moderniseringstheorie toe te passen op en uit te werken voor deze SMCS's, ontstaat een minder exclusief op de productiesfeer toegesneden variant van deze theorie. De huidige ontwikkelingen in de nutssectoren tonen daarbij aan dat klassieke vragen als die van de balans tussen markten staatsregulering van productie- en consumptiepraktijken of die van de groot- versus kleinschalige organisatie van technieksystemen, nog immer relevant zijn.

Original languageEnglish
QualificationDoctor of Philosophy
Awarding Institution
Supervisors/Advisors
  • Nooij, A.T.J., Promotor
  • Nelissen, N.J.M., Promotor, External person
Award date28 Jan 1997
Place of PublicationS.l.
Publisher
Print ISBNs9789054856474
Publication statusPublished - 1997

Keywords

  • environment
  • man
  • environmental impact
  • sociology
  • quality
  • control
  • pollution control
  • environmental management
  • ecology
  • consumption
  • netherlands
  • human impact
  • environmental sciences

Cite this