Spieringvisserij IJsselmeergebied : duurzame ecologische en biologische randvoorwaarden voor openstelling spieringvisserij?

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

De minister van LVVN heeft op basis van de Visserijwet de bevoegdheid om jaarlijks te bepalen of de spieringvisserij opengesteld kan worden. Door de achteruitgang van de spieringstand is de spieringvisserij sinds 2004 slechts 3 maal en sinds 2012 in het geheel niet meer opengesteld geweest, met name vanwege zorgen omtrent spiering als voedselbasis voor visetende vogels en roofvissen. Om tot een besluit te kunnen komen over toekomstige aanpak rondom spieringvisserij op het IJsselmeer en Markermeer heeft LVVN aan WMR gevraagd om een rapportage over te verwachten ontwikkelingen in het spieringbestand en de mogelijke effecten van spieringvisserij hierop. Daarbij is gekeken hoe veranderingen in de draagkracht van het ecosysteem naar verwachting van invloed zijn op het spieringbestand in de komende jaren, omdat zowel klimaatveranderingen als voedselproductie minder gunstige ontwikkelingen voor spiering lijken te betekenen. Daarnaast is nader onderzocht wat de te verwachten impact van openstelling van de spieringvisserij op het IJsselmeer en Markermeer zou zijn op de hoeveelheid spiering, de hoeveelheid voedsel beschikbaar voor visetende vissoorten en voor visetende watervogels. Om de effecten van visserij op het spieringbestand te onderzoeken is de ICES-methodiek gehanteerd. Op basis van de beschikbare gegevens zoals de trend in jaarlijkse visstandbemonsteringen sinds 1989 en in aanlandingen uit de spieringvisserij (tot 2012) en ontwikkelingen in de groottestructuur, biedt deze methodiek een aantal opties die binnen categorie 3 (zogenaamde gegevens-arme soorten) vallen. Omdat er momenteel geen visserij meer plaatsvindt kan geen jaarlijks visserijadvies gegeven worden op basis van vangsten. Een analyse terugkijkend naar de vangstontwikkelingen tot 2012 laat zien dat de laatste twee decennia van de spieringvisserij het bestand overbevist werd; de toen geldende openstelling van de spieringvisserij bij een index van ten minste 2100 spieringen per hectare bevist oppervlak bleek onvoldoende bescherming van het bestand te bieden. Na een daling van het spieringbestand in de jaren 1990 en 2000 is het beeld van de recente ontwikkelingen dat het bestand laag is en sterk van jaar tot jaar kan variëren, met name in het IJsselmeer (index van enkele tientallen tot maximaal ca 4000/ha). In het Markermeer is de jaar-tot-jaar variatie minder, maar is de spieringstand opvallend laag sinds 2018 (maximaal ca 200/ha). Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de draagkracht van het IJsselmeer en Markermeer sterk is afgenomen sinds de jaren 1980. Er zijn geen grote veranderingen in de fosfaathuishouding te verwachten en klimaatveranderingen richting gemiddeld hogere watertemperaturen zullen voor een koudwatersoort als spiering vermoedelijk leiden tot een sterk wisselend bestand en een over langere termijn gemiddeld afnemende bestandsontwikkeling. Natuurontwikkelingsprojecten in het IJsselmeer en Markermeer om het ecologisch functioneren van beide meren te bevorderen en mogelijk de draagkracht te verhogen door productie vanuit halfnatuurlijke oeverzones en wetlands in combinatie met een betere slibhuishouding vereisen waarschijnlijk een aanzienlijke opschaling om de draagkracht voor het open water te verhogen. De zeer lage spieringstand in het Markermeer sinds 2018 hangt mogelijk samen met een toename van predatie door een sterk snoekbaarsbestand en mogelijk met habitatveranderingen door zandwinning en aanleg van zandoevers op voorheen paailocaties van spiering. De vermindering van de draagkracht van het IJsselmeergebied voor spiering en met name het regelmatig voorkomen van jaren met een lage tot zeer lage spieringstand biedt in elk geval in veruit de meeste jaren geen ruimte voor spieringvisserij. Spieringvisserij zou bij de huidige beperkte bestandsomvang naar verwachting een negatief effect hebben op de bestandsontwikkeling. Het belang van spiering als voedselbron voor roofvissen als snoekbaars en baars is ook in de huidige situatie nog altijd groot (ca 50% van het dieet), met name voor de groei en overleving van de jongste jaarklassen. De toename in de hoeveelheid snoekbaars in het Markermeer de afgelopen jaren was vermoedelijk niet alleen een gevolg van een nettenreductie maar ook mogelijk door de beschikbaarheid van spiering. Ook als voedselbasis voor visetende watervogels is spiering van groot belang, waarbij vermoedelijk op de lange termijn alleen bij hogere spieringindexwaarden van ten minste enkele duizenden per ha de aantalsdoelstellingen voor soorten als fuut, grote zaagbek en nonnetje gehaald kunnen worden. Voor broedvogels als visdief is spiering belangrijk voedsel voor de jongen, maar in hoeverre het broedsucces op korte termijn (aantal uitvliegende jongen) of lange termijn (overleving na uitvliegen en daarmee van invloed op de lange-termijn ontwikkelingen van het aantal broedparen) samenhangt met de hoeveelheid spiering is niet duidelijk. Doordat spieringvisserij op enige schaal sinds 2012 niet meer is uitgeoefend zijn mogelijke effecten van spieringvisserij op de voedselbeschikbaarheid van spiering voor roofvissen en vogels sindsdien niet meetbaar, maar aangenomen mag worden dat gezien het belang van spiering voor vogels en vissen dat het wegvangen van paaiende spiering zeker in het voorjaar en de voorzomer (dat wil zeggen voordat de nieuwe generatie spiering beschikbaar is als prooivis) sterke effecten zou hebben. Spieringvisserij zal de voedselbasis voor deze soorten in zekere mate beperken, en daarmee wat betreft roofvissen de doelmatigheid van nettenvisserij. Gegevens en modelinstrumentarium ontbreken voor een nadere specificatie in welke mate spieringvisserij de visserij op snoekbaars en baars negatief zou beïnvloeden.
Original languageDutch
Place of PublicationIJmuiden
PublisherWageningen Marine Research
Number of pages43
DOIs
Publication statusPublished - Jan 2025

Publication series

NameWageningen Marine Research rapport
No.C006/25

Cite this