Sowing the good seed : the interweaving of agricultural change, gender relations and religion in Serenje District, Zambia

H. Seur

    Research output: Thesisinternal PhD, WU

    Abstract

    In de periode 1963-64 verrichtte Norman Long onderzoek in een rurale gemeenschap in Chibale Chiefdom, een van de Lala Chiefdoms in Serenje District, Zambia. Zijn onderzoek richtte zich voornamelijk op de analyse van de differentiële reacties van verschillende groepen op veranderende agrarische, sociale en economische omstandigheden alsmede op interventie door de koloniale overheid.

    Een belangrijk thema in Long's werk was de vraag waarom de Jehovah's Getuigen (die in die dagen 19% van de volwassen bevolking uitmaakten) meer nog dan andere boeren in het gebied er toe geneigd waren om na de introductie van de dierlijke tractie en de ploeg alsmede de invoering van Turkse tabak als handelsgewas, nieuwe sociaal-economische rollen te ontwikkelen (Long 1984: 4). Long vroeg zich tevens af op welke wijzen de Jehovah's Getuigen in staat waren ruimte voor zichzelf te creëren met als doel 'projecten' uit te voeren die soms lijnrecht stonden tegenover de belangen en politiek van de koloniale overheid. In Social Change and the Individual toont Long aan dat de Jehovah's Getuigen succesvoller bleken in het opzetten van stabiele en gezonde agrarische bedrijven omdat:
    'zij zich gemakkelijker wisten te onttrekken aan matrilineaire verwantschapsverplichtingen dan wel deze een nieuwe inhoud konden geven, terwijl zij tegelijkertijd additionele, op de kerk gebaseerde en moreel geaccepteerde, sociale netwerken ontwikkelden, zowel binnen als buiten het gebied. Deze sociale netwerken werden gemobiliseerd om problemen van tekorten aan arbeid, kapitaal en kennis van boerenbedrijfsvoering op te lossen.' (Long 1984: 5).

    Een ander thema, waaraan Long aandacht besteedde, was de verschillende wijzen waarop boeren reageerden op de verslechterende ecologische situatie en de wijzen waarop zij nieuwe technologische of organisatorische innovaties incorporeerden in hun bedrijven, vaak op een manier zoals die door de koloniale overheid niet was voorzien.

    Tijdens een kort bezoek aan Nchimishi in 1984 kwam Long tot de conclusie dat sinds zijn onderzoek het gebied enorme veranderingen had ondergaan. In het begin van de zestiger jaren was de ploeg slechts in gebruik bij 36.4% van de volwassen mannelijke bevolking, maar het scheen alsof nu een aanzienlijk groter gedeelte van de boeren deze technologie gebruikten. In 1964 was slechts 25% van de mannelijke bevolking actief geweest in de verbouw en verkoop van handelsgewassen, maar nu, 20 jaar later, waren duidelijk meer mensen overgeschakeld op een meer commerciële vorm van landbouw. Long ontdekte tevens dat alle boeren waren afgestapt van de verbouw van Turkse tabak, het belangrijkste handelsgewas gedurende de zestiger jaren. Nu verbouwden de meeste boeren hybride maïs. Ondanks de economische crisis waarin Zambia vanaf het midden van de jaren zeventig verkeerde en ondanks het feit dat de meeste winkels in het gebied (die in de vijftiger en zestiger jaren door teruggekeerde migranten waren geopend) verdwenen waren, was de welvaart van het gebied door de ontwikkelingen in de landbouw aanzienlijk toegenomen.

    De indrukken opgedaan tijdens dit korte verblijf in Nchimishi brachten Long op de gedachte dat het wellicht interessant zou zijn een 'restudy' van zijn eerder onderzoek te verrichten.
    Bij het schrijven van het onderzoeksvoorstel werd door ons daarom veel aandacht geschonken aan de voor- en nadelen die zich voordoen als men toegang heeft tot onderzoeksgegevens die betrekking hebben op hetzelfde gebied, dezelfde bedrijven en dezelfde respondenten.
    Zo besloten we bijvoorbeeld te onderzoeken of Jehovah's Getuigen, of netwerken die voor een groot deel bestaan uit Getuigen, wederom een belangrijke rol hebben gespeeld in het proces van agrarische verandering.
    Een ander thema dat onze interesse had, is de mate waarin boeren in staat bleken nieuwe technieken, methoden en gewassen te integreren in hun bedrijven en binnen het meer traditionele landbouwsysteem dat gebaseerd was op het werken met bijl en hak.
    Vervolgens wilden we nagaan in hoeverre de verspreiding van ossentractie en de ploeg kan worden toegeschreven aan interventie door de koloniale en Zambiaanse overheid, of meer gezien moet worden als het gevolg van een meer autonoom proces dat in gang is gezet door de boeren zelf.

    Tijdens onze zoektocht naar studies die de sociale, economische en ecologische gevolgen van de introductie van dierlijke tractie en de ploeg behandelen, bleek dat aan dit onderwerp tot nu toe weinig aandacht is besteed. Dit is verwonderlijk omdat de introductie en verspreiding van dierlijke tractie en de ploeg door veel onderzoekers, project medewerkers en overheden (in Afrika evenals in het Westen) als een belangrijk deel van de oplossing wordt gezien voor de problemen van ruraal Afrika, alsmede voor de voedsel problemen waarmee veel steden kampen. Veel literatuur draagt een wat 'impressionistisch' karakter en staat vol van generalisaties en veronderstellingen die niet worden ondersteund door gedetailleerd onderzoek. Gesteld wordt bijvoorbeeld dat de introductie van handelsgewassen, nieuwe landbouwmethoden en mechanisatie technieken vrijwel zonder uitzondering leidt tot de marginalisatie van vrouwen. Terwijl mannen zich concentreren op de cultivatie en verkoop van handelsgewassen trekken vrouwen zich terug in het huishouden enlof worden gedwongen zich (nog) meer te richten op de verbouw van voor het huishouden bestemde voedselgewassen, daarbij gebruik makend van meer traditionele technieken die geen of weinig kapitaalinvesteringen vereisen. In andere publicaties word beweerd, of vanuit gegaan, dat vrouwen worden gedegradeerd van zelfstandige boerin tot de onbetaalde, afhankelijke en uitgebuite hulpkracht van haar echtgenoot of van andere mannen binnen de gemeenschap. De overgang van een zelfvoorzienende naar een meer op de markt georiënteerde landbouw wordt daarom ook vaak gezien als de overstap van een 'female' naar 'male farming system'.

    Een ander thema dat onze belangstelling had betreft de wijd verspreide veronderstelling dat het matrilineaire systeem van verwantschap en vererving incompatibel is met een meer gemechaniseerde en commerciële landbouw, daar de ontwikkeling van dit type landbouw alleen kan plaats vinden als individuen permanente rechten op land en roerende goederen kunnen laten gelden.
    Kortom, een van de doelstellingen van het onderzoek was om de boven genoemde hypothesen en generalisaties te relateren aan de agrarische, economische en sociale veranderingen zoals die de afgelopen decennia zich in Nchimishi hebben voorgedaan.
    Een andere doelstelling van de 'restudy' was om over een langere periode de differentiële reacties van boeren op de introductie van innovaties en op andere veranderingen in de landbouw te traceren en analyseren. Daarnaast wilden we tevens de gevolgen van deze reacties op de verhoudingen en relaties binnen het huishouden, boerenbedrijf en 'extended family' onderzoeken.
    Tenslotte waren we geïnteresseerd of, en in welke mate, de introductie van de ploeg en dierlijke tractie, misschien tezamen met een aantal andere factoren, heeft bijgedragen tot het ontstaan van, of het richting geven aan veranderingsprocessen.

    Het boek is als volgt opgebouwd. Hoofstuk 1 schetst het onderzoeksprobleem. In hoofdstuk 2 wordt een benadering geïntroduceerd die het mogelijk maakt de differentiële sociale en economische reacties van boeren op de introductie van ossentractie en andere landbouwkundige innovaties te bestuderen en te analyseren. In dit hoofdstuk wordt het onderzoekprobleem gekoppeld aan de gehanteerde methodologie en centrale analytische concepten.

    Een beschrijving van de diverse teeltmethoden en gewassen alsmede van de verschillende landbouwtechnieken en methoden die door boeren in Nchimishi worden aangewend, is te vinden in hoofdstuk 3.
    Hoofdstuk 4 behandeld de introductie en geleidelijke verspreiding van de ploeg en een aantal door de overheid geïntroduceerde handelsgewassen. Door middel van een historische analyse wordt aangetoond dat boeren zeer goed in staat zijn een door de overheid geïntroduceerd pakket, bestaande uit een aantal gewassen, technieken, landbouw- methoden en bodembeschermingsmaatregelen, uit elkaar te nemen en de delen naar eigen inzicht te transformeren zodat ze ingepast kunnen worden binnen het bestaande bedrijfssysteem.

    Als gevolg van een sterke toename van de bevolkingdruk kunnen de bewoners van een gebied gedwongen worden op meer intensieve landbouwmethoden over te schakelen. In hoofdstuk 5 toon ik aan dat dit niet betekent, zoals door sommige onderzoekers wordt beweerd, dat boeren, indien de verkorting van braakperioden een bepaald niveau heeft bereikt, zich genoodzaakt zien over te stappen van de hak naar de ploeg.

    Boeren reageren op verschillende wijzen op landschaarste die veroorzaakt wordt door de snelle groei van de bevolking. De keuzes die zij maken met betrekking tot de adoptie van landbouwmethoden en technieken worden niet alleen beïnvloed door problemen die gerelateerd zijn aan landschaarste doch ook door een aantal in dit hoofdstuk beschreven economische en sociale motieven en veranderingsprocessen.

    In de literatuur worden de bedrijfseconomische voordelen van ossentractie en de ploeg meestal verklaard in termen van lopende kosten. Weinig aandacht is er voor de problemen die boeren ondervinden bij het vergaren van voldoende investeringskapitaal. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de wijd verspreide veronderstelling dat als gevolg van een gerichte interventie door de overheid of ontwikkelingsprojecten - met andere woorden door het aanbieden van o.a. voorlichting, training, veterinaire voorzieningen en krediet - de verspreiding van ossentractie en de ploeg snel kan plaats vinden. Hoofdstuk 6 analyseert de problemen van jonge boeren die besloten hebben over te stappen op de ploeg en beschrijft hoe zij ondanks gebrek aan voorlichting en krediet faciliteiten toch in staat zijn binnen enkele seizoenen het benodigde kapitaal te vergaren. Het hoofdstuk laat tevens zien waarom verbeterde krediet voorzieningen niet hoeven te leiden tot de snellere adoptie en verspreiding van de ploeg.

    Hoofstuk 7 schetst een beeld van de economische differentiatie in het onderzoeksgebied. De verspreiding van ossentractie en de ploeg en de introductie van nieuwe gewassen hebben sterk bijgedragen tot dit differentiatie proces dat echter niet verklaard kon worden zonder een onderzoek naar de veranderende waarden, normen, en praktijken die verband houden met de vererving van goederen.

    Zoals reeds eerder werd gesteld, beweren (of veronderstellen) veel onderzoekers dat de introductie van handelsgewassen en landbouwmechanisatie uiteindelijk resulteren in een situatie waarin mannen de controle verwerven over productiemiddelen en het inkomen van hun familie of huishouden. In de hoofdstukken 8, 9 en 10 laat ik zien dat de introductie van cash crops en de ploeg niet hoeft te leiden tot de marginalisatie van vrouwen. Veel vrouwen in het gebied zijn actief in de verbouw en verkoop van mais en bonen, de twee belangrijkste voedsel en handelsgewassen. Indien men de positie van vrouwen in de landbouw wil begrijpen dient men niet alleen aandacht te hebben voor zaken die direct verband houden met agrarische productie en mag men er niet van uitgaan dat het huishouden de kleinst levensvatbare productie-eenheid is. De rol van vrouwen in de lokale economie en landbouw kan veelal alleen worden begrepen indien men vraagstukken met betrekking tot consumptie, distributie en ruil in de analyse betrekt. Ook kan de veranderende economische en sociale positie van vrouwen niet los gezien worden van andere veranderingsprocessen die de afgelopen decennia hebben plaats gevonden. Processen zoals de grootschalige migratie naar de steden van Copperbelt, de re-migratie die nu plaats vindt en het veranderende nederzettingen patroon.

    In veel literatuur die handelt over systemen van verwantschap en vererving wordt gesteld dat binnen de Afrikaanse context vrouwen die behoren tot matrilineaire etnische groepen veelal vervente verdedigers zijn van de matrilineaire ideologie en het traditionele verervingssysteem omdat deze hun meer zekerheden verschaffen. In matrilineaire samenlevingen, zo word gesteld, hebben vrouwen een betere toegang tot essentiele hulpbronnen zoals land en arbeid. In Nchimishi echter, kunnen vrouwen zeker niet worden aangemerkt als kritiekloze aanhangers van de traditionele matrilineaire ideologie. In tegendeel, veel vrouwen verwerpen belangrijke aspecten van het verwantschaps- en verervingssysteem omdat deze in hun ogen de recent verworven economische onafhankelijkheid van vrouwen aantast.

    In hoofstuk 11 onderzoek ik de veranderde relatie tussen vrouwen en voor zover deze verband houdt met de toegang tot, het gebruik van en de controle over bepaalde ruimten en sociale arena's. Het hoofdstuk laat zien hoe gedurende de afgelopen decennia vrouwen zich toegang hebben weten te verschaffen tot ruimten die in het verleden als het exclusieve domein van mannen werden beschouwd. Deze verandering wordt door zowel vrouwen als mannen gezien als een teken dat in Nchimishi de macht van vrouwen, zowel binnen het huishouden als daar buiten, is toegenomen ten koste van de invloed van mannen.

    In hoofdstuk 12 worden de veranderende praktijken met betrekking tot land behandeld. Ik toon aan dat boeren als gevolg van processen als de groei van de bevolking, het veranderde nederzettingen patroon en de introductie van de ploeg en nieuwe handelsgewassen een grotere waarde zijn gaan toekennen aan het land dat ze controleren enlof bewerken. Het sterk toegenomen aantal landconflicten toont dat land vandaag de dag word beschouwd als een schaarser wordende economische hulpbron. Boeren wenden een groot aantal strategieen aan om hun land te verdedigen en om de controle over nog ongebruikt land te verwerven. Ondanks het feit dat in het verleden het erven van land niet gebruikelijk was, heb ik tijdens het onderzoek verschillende malen waargenomen dat boeren controle over stukken land trachtten te verkrijgen door op een handige manier het traditionele matrilineaire ververvingssysteem te manipuleren en toe te passen op onroerende goederen.

    Hoofstuk 13 behandelt het verband tussen de religieuze ideologie van de Jehovah's Getuigen en de diverse stijlen van bedrijfsmanagement. Ik stel dat indien we de houding van veel Jehovah's Getuigen ten aanzien van hun boerenbedrijf willen doorgronden, we niet alleen de ideologie moeten analyseren doch tevens aandacht moeten hebben voor de wijzen waarop verschillende Getuigen bepaalde aspecten van hun doctrine interpreteren en er waarde aan toe kennen. Als we de landbouw en economie in ogenschouw nemen kan gesteld worden dat gedurende de zestiger jaren de Jehovah's Getuigen een prominente plaats in namen. Long laat in zijn werk zien dat veel Jehovah's Getuigen behoorden tot de categorie van meest innovatieve en voortuitstrevende boeren. Toen respondenten werden geconfronteerd met het werk van Long (Long 1968) en Weber (Weber 1989) werd duidelijk dat de minder vooraanstaande economische positie die de Getuigen vandaag de dag innemen voor een groot deel verklaard kan worden uit het feit dat de religieuze ethiek van deze groep sinds de zestiger jaren wezenlijke veranderingen heeft ondergaan.

    Hoofdstuk 14 analyseert de religieuze, sociale en economische differentiatie die bestaat binnen de gemeenschap van Jehovah's Getuigen.

    Het thema dat vrijwel alle hoofdstukken in dit boek verbindt betreft de sociale en economische consequenties van de introductie en verspreiding van ossentractie, de ploeg en de verbouw van handelsgewassen. Tevens bestaat een belangrijk gedeelte van dit boek uit een analyse van de diverse veranderingsprocessen die op hun beurt een invloed hebben gehad op deze ingrijpende veranderingen in de landbouw.

    Original languageEnglish
    QualificationDoctor of Philosophy
    Awarding Institution
    Supervisors/Advisors
    • Long, N.E., Promotor
    Award date30 Nov 1992
    Publisher
    Publication statusPublished - 1992

    Keywords

    • farm management
    • innovations
    • social change
    • roles
    • social status
    • sociology
    • households
    • social classes
    • farmers
    • social sciences
    • agriculture
    • women
    • zambia
    • social processes
    • sects

    Cite this