Op zoek naar de variabiliteit van pepinomozaïekvirus : overzicht van onderzoek uitgevoerd van 1 januari 2003 tot 31 december 2005

I. Stijger, R.A.A. van der Vlugt, R. Hamelink, R.C. Kaarsemaker, A.M. Dullemans

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

Pepinomozaïekvirus (PepMV) was tot 6 jaar geleden nog een volkomen onbekend virus. Toch heeft het sinds 1999, toen het voor het eerst in zowel de Nederlandse als Engelse tomatenteelt werd aangetroffen, vaste grond onder de voeten gekregen. Een van de belangrijkste redenen hiervoor is zijn gemakkelijke verspreiding (door gewashandelingen en via besmette oppervlakten zoals fust en gereedschappen) en de zeker kort na de introductie van het virus, zwakke tot zeer zwakke symptomen in de teelt. Sinds de introductie zijn de meldingen rond problemen met het virus in de teelt echter wel toegenomen, het was onduidelijk welke factoren hiervoor verantwoordelijk waren; teeltomstandigheden, rasinvloeden dubbelinfecties met andere ziekteverwekkers of de eigenschappen van het virus zelf. Vooral over dat laatste was de nodige onduidelijkheid omdat virussen, als notoire opportunisten, als geen ander in staat zijn om hun eigenschappen snel aan te passen aan andere omstandigheden. Binnen dit project is onderzocht welke variatie er binnen pepinomozaïekvirus bestaat zowel in biologische eigenschappen zoals symptomen, virusconcentratie etc. als in de genetische eigenschappen en mogelijke veranderingen daarvan tijdens de teelt. Ook is gekeken naar het mogelijk voorkomen van andere isolaten of stammen van het virus in de Nederlandse teelt en naar de (on)mogelijkheden van beschermende maatregelen. Uit onze onderzoeken blijkt dat: • Het virus sinds de eerste introductie in 1999 van het tomatenisolaat van pepinomozaïekvirus inmiddels duidelijke genetische veranderingen laat zien. • Dat op dit moment (mei 2006) diverse varianten van pepinomozaïekvirus binnen de Nederlandse tomatenteelt voorkomen. • Dat er sinds 2005 (en wellicht al eerder) ook US2, een duidelijk afwijkende stam van PepMV, in de Nederlandse tomatenteelt voorkomt en dat deze stam in menginfectie met de tomatenstam voorkomt. • Dat er onder de huidige Nederlandse praktijk steeds mengsels van virusvarianten in planten voorkomen en dat het niet te voorspellen is wat de effecten hiervan op de schade door het virus zullen zijn. • Dat het virus, afhankelijk van het tijdstip tijdens het teeltseizoen, zich extreem snel of juist langzaam door de plant kan verspreiden. • Het virus zich snel naar snelgroeiende delen van de plant beweegt en daar zeer hoge concentraties kan bereiken. • Dat het virus ook in hoge concentraties in kroonblaadjes voorkomt. • Dat de concentratie van het virus in de plant tijdens het teeltseizoen opvallende schommelingen vertoont. • Dat er geen verband is tussen deze schommelingen en het optreden of de heftigheid van symptomen in planten en vruchten. • Dat uit de kasproef van 2005 aanwijzingen zijn gekomen dat planten die eerst met 1066 en vervolgens met het necrotisch isolaaat DB1 zijn geïnfecteerd minder heftige symptomen geven dan planten die alleen met DB1 zijn geïnfecteerd.
Original languageDutch
Place of PublicationNaaldwijk
PublisherPraktijkonderzoek Plant & Omgeving, Glastuinbouw
Number of pages42
Publication statusPublished - 2006

Keywords

  • tomatoes
  • solanum lycopersicum
  • pepino mosaic virus
  • plant disease control
  • greenhouse horticulture
  • fruit vegetables

Cite this