Ontwikkelingen van bodemgebonden vis en epibenthos in de Oosterschelde in de periode 1970-2018

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

In het kader van de systeemrapportage Oosterschelde zijn de ontwikkelingen van vis in de Oosterschelde geanalyseerd gebruik makend van de data uit de Demersal Fish Survey (DFS) die sinds 1970 elk jaar wordt uitgevoerd in onder andere de Oosterschelde waarbij de op de bodem levende vis en bodemdieren worden bemonsterd met een garnalenkor. Met deze methode wordt een deel van de visgemeenschap bemonsterd: grotere, snel zwemmende vis en vissen in de waterkolom vallen buiten het bereik van de methode. De tijdseries van dichtheid en biomassa van de totale hoeveelheid gevangen vis zijn geanalyseerd, naast algemene trends van vissoorten die zijn gegroepeerd in ecologische- en voedselgildes. Daarnaast zijn een aantal individuele soorten geanalyseerd, waaronder commerciële soorten zoals schol, tong en bot waarvoor de Oosterschelde fungeert als een kinderkamer. Alle trends zijn berekend voor de Oosterschelde als geheel en per deelgebied: de monding, het middengebied, de noordtak en de kom. Zowel de biomassa als dichtheden laten een sterke daling zien vanaf ca. 1986, met een korte opleving net voor 2000, gevolgd door een verdere daling. Ook voor sommige individuele soorten zoals schol en schar is een sterke daling waarneembaar, en lijkt het omslagpunt te liggen rond 1988. Daarnaast is er in alle deelgebieden, vooral in de monding en het middengebied van de Oosterschelde, rond 2005 een sterke daling te zien in visbiomassa. De ontwikkelingen zijn ook waarneembaar in de gildes. Zo wordt de biomassa voornamelijk gedomineerd door mariene juvenielen maar sinds 2010 verschuift het grootste aandeel van de biomassa voornamelijk naar estuariene residenten zoals grondel, zandspiering, vijfdradige meun, zeedonderpad, glasgrondel en zwarte grondel. De verschuiving is het duidelijkst te zien in de kom waar in 2018 bijna de gehele biomassa wordt vertegenwoordigd door estuariene residenten. Vergelijkbare ontwikkelingen zijn zichtbaar in de voedselgildes waar groepen zoals planktivoren en piscivoren een steeds groter deel van de biomassa gaan vertegenwoordigen. Naast de trends in dichtheden en biomassa laten bepaalde soorten een sterkere verandering zien in lengteverdeling over de tijd dan andere soorten. Zo zijn voornamelijk voor platvis zoals schol, schar en tong veranderingen te zien waarbij een afname te zien is in individuen groter dan 10 cm. Dit vormt ook een groot deel van de verklaring van de afname in biomassa. Ontwikkelingen in andere soorten zoals zeebaars zijn lastiger te interpreteren aangezien er met het gebruikte tuig en de gehanteerde vissnelheid wel juveniele maar geen volwassen zeebaars gevangen wordt. Vergelijkbare dalende trends in biomassa, dichtheden en grootte zijn waarneembaar in de Waddenzee en de kustgebieden, die eenzelfde functie hebben als de Oosterschelde voor kinderkamersoorten. Hierbij spelen waarschijnlijk factoren op een regionale schaal zoals temperatuurveranderingen en mogelijk veranderingen in voedselaanbod, predatiedruk en visserij een rol. Dit wijst er mogelijk op dat niet alleen lokale factoren (e.g. voedselaanbod) de oorzaak zijn van de afname van visbiomassa en dichtheden, maar dat ook andere factoren zoals de stijging van de watertemperatuur door klimaatverandering invloed kunnen hebben. Opvallend hierbij is wel dat in de kustgebieden de neergaande trend zich ook weer heeft gekeerd, maar in de Oosterschelde en Waddenzee niet. Voor begrip van dergelijke trendmatige gebiedspecifieke veranderingen is een gedetailleerde studie nodig. Mogelijk biedt een vergelijking met de Westerschelde (als niet afgesloten zeearm) hier enig houvast, maar waarschijnlijk is een mechanistische studie naar welke processen verantwoordelijk zijn voor de waargenomen veranderingen noodzakelijk.
Original languageDutch
Place of PublicationYerseke
PublisherWageningen Marine Research
Number of pages32
DOIs
Publication statusPublished - 2020

Publication series

NameWageningen Marine Research rapport
No.C024/20

Cite this