Skip to main navigation Skip to search Skip to main content

Mosselhangcultuurpilot in de Voordelta: eindrapportage

    Research output: Book/ReportReportProfessional

    Abstract

    Mosselproductie in Nederlandse wateren vindt hoofdzakelijk plaats in Waddenzee en Oosterschelde. In deze wateren is er weinig ruimte voor uitbreiding van de productie. Daarom is in de periode 2022–2024 een praktijkproef uitgevoerd 2 kilometer uit de kust bij de Roompot in de Voordelta. Deze proef was gericht op het verkennen van de mogelijkheden voor mosselkweek op open zee. Het doel van deze praktijkproef was om inzicht te krijgen in de technische vereisten en biologische haalbaarheid van hangcultuursystemen onder dynamische nearshore-omstandigheden ter voorbereiding op mogelijke opschaling. Tijdens de pilot zijn twee hangcultuursystemen getest: een drijvende dubbele longline (LL) en een ondergedoken longline (OLL), beide voorzien van verschillende typen touw en sokmateriaal (sokken worden gebruikt om halfwas mosselen en mosselzaad te fixeren). Daarnaast zijn vier verschillende strategieën van opkweek onderzocht; het gebruik van bodem- en hangcultuurzaad, het opvetten van halfwasmosselen en het lokaal invangen van mosselzaad. De systemen waren uitgerust met sensoren (o.a. acceleratiemeters, load cells) om de beweging en belasting continu te monitoren. De omgevingsfactoren zijn gemeten m.b.v. chlorofyl- en turbiditeitsmeters. Ook is gewerkt met ROV-opnames (Remotely Operated Vehicle) en zijn laboratoriumexperimenten uitgevoerd naar effecten van stroming op voedselopname en naar krabbenpredatie van het ingevangen mosselzaad. De omstandigheden op de pilotlocatie bleken zeer dynamisch. Metingen met een stromingsmeter toonden stroomsnelheden tot 2,5 m/s en golfhoogten tot 2,8 meter. Bevindingen: Technische prestaties: Beide systemen (boeien, ankers en hoofdlijnen) hielden stand onder hoog dynamische omstandigheden. Bewegingssensoren toonden aan dat de ondergedoken longline minder direct reageerde op de hydrodynamische omstandigheden dan het drijvende systeem. Krachtmetingen toonden aan dat de verankering van de systemen tijdens de pilot ruim voldoende veiligheidsmarge hadden, ook tijdens stormen (1-jaarlijkse). Zaadhechting en groei: Bodemzaad en bodemhalfwasmosselen uit de Oosterschelde hechtte zich slecht aan het substraat wat resulteerde in veel verlies van mosselen aan de lijnen. Mosselzaad uit een hangcultuursysteem in de Grevelingen hechtte zich beter, maar ook hier was het succes beperkt. De beste resultaten werden behaald met lokaal ingevangen zaad: dit leidde tot significant betere hechting en groei, vooral op de ondergedoken longlijn. Er waren duidelijke verschillen in invang efficiëntie tussen touwtypes. Dit lijkt vooral te maken te hebben met de oppervlakte van het substraat. Langer en meer uitgesplitst substraat leidde tot meer broedval. Ecologische interacties: De structuren werden gebruikt door vogels als rustplaats, waaronder grote sterns en meeuwen. Hoewel onderwaterbeelden door troebelheid beperkt bruikbaar waren, werden bij het oogsten een aantal vissoorten tussen de mosselen aangetroffen, wat duidt op een zekere ecologische integratie. Operationele knelpunten: Vanwege stormachtig weer en beperkte beschikbaarheid van schepen gingen lijnen en sensoren verloren, en bleef belangrijke data (zoals chlorofyl en temperatuur) over bepaalde tijdintervallen van de meetperiode uit. Toch konden seizoenfluctuaties in voedselbeschikbaarheid (chlorofyl-a) worden vastgesteld en werden op de Voordelta tijdens piekmomenten tot 30% hogere chlorofyl concentraties gemeten dan op de Oosterschelde. Aanvullende experimenten: Proeven lieten zien dat mosselen hun schelpen nauwelijks sluiten bij toenemende stroming tot 0,53 m/s. Predatie-experimenten met krabben toonden enige voorkeur voor kleinere mosselen, maar over het algemeen waren de verschillen tussen mosseltypes beperkt. Belangrijkste conclusies: De boeien en hoofdlijnen bleven intact onder dynamische nearshore-condities, maar substraat en bevestigingsmaterialen zijn gevoelig voor slijtage en de slijtagedruk was erg hoog. Het ondergedoken systeem presteerde beter dan het drijvende systeem, er was daar minder schade, minder verlies van mosselen en een hogere mosselgroei. Het type uitgangsmateriaal had een groot effect op de prestaties (groei en overleving) van de mosselen. Van minst naar meest succesvol geldt: halfwasmosselen van bodemperceel > mosselzaad van bodemperceel > mosselzaad van hangcultuursysteem Grevelingen > lokaal ingevangen zaad. Mosselen groeiden vooral goed op de delen van het systeem die het minst aan beweging onderhevig waren. De dynamiek op de proeflocatie was waarschijnlijk te hoog om succesvol mosselen op te kunnen kweken op vrij in het water bewegend kweeksubstraat, in ieder geval zoals dat in deze pilot is toegepast. Mosselzaadinvang lijkt wel goed te gaan, maar dan moet er wel op tijd geoogst worden. Aanbevelingen: Vereenvoudig en standaardiseer het vergunningentraject. Het stroomlijnen van het aanvraagproces met de stakeholders dient ruim van tevoren te gebeuren. Bestuurlijk draagvlak bij alle stakeholders voor ruimte om mosselen te kweken op zee kan het proces aanzienlijk versnellen. Gebruik gemeten krachten en omgevingscondities van deze en andere pilots bij het ontwerpen van kostenefficiënte systemen, afgestemd op realistische weersomstandigheden. Lokaal ingevangen mosselzaad lijkt voor verdere opkweek beter te presteren dan zaad van elders. De potentie van de ondergedoken longline in combinatie met lokaal zaad vraagt om gerichte pilots met commerciële doorontwikkeling op minder dynamische locaties. Het type mosselzaad dat werd ingevangen lijkt qua habitus sterk op droogvallend zaad (onder andere: stomp, dikke schelp, zwart met schuurplekken). Droogvallend zaad presteert vaak goed op bodempercelen. Dit kan perspectief bieden voor mosselzaadinvang waarna dit verder opgekweekt wordt op de bestaande bodempercelen. Zorg voor dynamisch management van de systemen: Installeer systemen met een minimaal aantal boeien bij aanvang, en voeg drijfvermogen gefaseerd toe naarmate de mosselen groeien. Dit beperkt gevoeligheid voor golfslag én voorkomt contact met de bodem. Verlies door afvallend substraat tijdens de oogst had waarschijnlijk voorkomen kunnen worden door een beter getimede oogst. Monitoring van substraat en mosselbezetting moet daarom onderdeel zijn van het operationele beheer. Zorg voor betrokkenheid van ondernemers die bereid zijn risico te nemen en verantwoordelijkheid te dragen, met als doel een commercieel succesvolle mosselkweek te realiseren.
    Original languageDutch
    Place of PublicationYerseke
    PublisherWageningen Marine Research
    Number of pages72
    DOIs
    Publication statusPublished - Oct 2025

    Publication series

    NameWageningen Marine Research rapport
    No.C062/25

    Cite this