Abstract
Het Zeehondenakkoord, met als uitgangspunt het advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie Zeehondenopvang (WAZ), vormt de basis voor het opvangbeleid van zeehonden in Nederland. Het Zeehondenakkoord stelt dat het goed gaat met de populatie van gewone en grijze zeehonden in het Waddengebied en de Nederlandse kustwateren en dat opvang van zeehonden niet nodig is voor het behoud en de bescherming van de zeehondenpopulatie. Naast het belang van de populatie wordt ook het welzijn van het individuele dier erkend en worden er specifieke situaties genoemd waarin zieke en gestrande zeehonden opgevangen kunnen worden, zoals beschreven in het handelingskader zeehondenopvang. Eén aspect is dat er voor zogende pups een 24uur observatieperiode wordt gehanteerd, alvorens tot opvang over te gaan, tenzij de pup op een lastige plek ligt of er geen mogelijkheid is verstoring in te perken. Gedurende de observatieperiode wordt getracht rust te creëren rondom de pup, zodat moeder en pup de mogelijkheid hebben zich weer te herenigen. Op 5 december 2024 is een motie ingediend (Motie Graus, TK 28 286, nr. 1370), waarin werd gesteld dat “door de gestelde 24-uurstermijn uitgehongerde zeehondenbaby’s te lang aan hun lot worden overgelaten”. De achterliggende gedachte is dat zeehondenpups daardoor onnodig lijden. De staatssecretaris van het ministerie van LVVN heeft in zijn reactie aan de Tweede Kamer aangegeven dat hij “aanvullend onderzoek zal laten doen specifiek gericht op ervaringen met de 24-uurstermijn en bezien of hierover betrouwbare data beschikbaar zijn om duidelijke uitspraken te kunnen doen”. Omdat “lijden” alleen objectief gemeten zou kunnen worden met invasieve methodes, ligt het accent van dit onderzoek op de duur van de observatie-termijn en de overlevingskans. In de analyse beschreven in dit rapport wordt in opdracht van LVVN getracht om met de beschikbare data van opvangcentra te onderzoeken in hoeverre de 24 uur observatietermijn leidt tot vermijdbare sterfte van zeehonden langs de Nederlandse kust. Het onderzoek betreft alleen gewone zeehonden. Voor dit onderzoek hebben de drie opvangcentra (Aseal, Ecomare en Pieterburen) data beschikbaar gesteld voor de jaren 2023 en 2024. Deze gegevens betroffen 403 registraties van pups van de gewone zeehond die in die periode levend werden aangetroffen en aangemeld bij één van de centra. De data bevatten informatie over de datum dat ze werden aangetroffen, of ze direct werden opgevangen of eerst geobserveerd, de motivatie voor opvang (al dan niet na een observatieperiode), maar ook de afloop van de casus (of het dier overleed, werd geëuthanaseerd of werd vrijgelaten). Tevens werd er vaak informatie gegeven over het observatietraject, zoals het gewicht van de zeehondenpup gedurende de observatieperiode. De analyse van de gegevens toonde aan dat 208 van de 403 (52%) waargenomen en geregistreerde zeehondenpups op korte termijn of in ieder geval gedurende de observatieperiode zijn vertrokken naar zee. Een klein deel overleed ter plekke tijdens de observatie; 10 individuen (2.5% van alle dieren). In totaal werden 185 dieren naar een opvangcentrum gebracht waarvan 43 dieren minder dan één dag geobserveerd voordat zij in een opvangcentrum werden opgenomen. De belangrijkste motivatie voor directe opvang was dat het dier verstoord werd of op een slechte locatie lag. Het merendeel van de opvangzeehonden werd echter gedurende één dag of langer geobserveerd (77%; 142 van 185 dieren). De meest voorkomende observatieduur was één dag (51%; 94 van 185 dieren). De belangrijkste motivatie om op te vangen na de observatieperiode was dat het dier gewichtsververlies (<500gram/d) liet zien en op basis waarvan werd geconcludeerd dat het dier door de moeder was verlaten en daardoor niet meer gezoogd werd. In totaal werden van de 185 opgevangen dieren er 149 (80.5% van de opgevangen dieren) vrijgelaten na de opvangperiode. Van het aantal dieren dat 2 dagen of langer werd geobserveerd, werd 81% levend vrijgelaten. Met de beschikbare gegevens was het niet mogelijk om de onderzoeksvraag die aanvankelijk was gesteld, namelijk in welke mate de 24 uur observatietermijn heeft geleid tot vermijdbare sterfte, te beantwoorden. Daarvoor is namelijk een experimentele proefopzet noodzakelijk. Hierbij zouden dieren willekeurig moeten worden aangewezen om wel of niet opgevangen te worden, en moeten zowel de opvangdieren alsook de dieren in het wild continu gevolgd worden om te bepalen of sterfte tussen beide groepen verschilt. Een dergelijk onderzoek brengt ethische bezwaren met zich mee. Wel kon met de geleverde data worden berekend dat 10 individuen (3% van de geobserveerde dieren) gedurende het observatieproces zijn overleden. Ter vergelijking, het sterftecijfer van de opgevangen zeehonden lag hoger, namelijk 36 individuen (19.5%). Dit betrof alle overleden dieren, inclusief de dieren die gedurende het transport overleden of die werden geëuthanaseerd. Het is belangrijk om op te merken dat het besluit om de dieren direct in de opvang op te nemen deels is gebaseerd op hun slechte gezondheidstoestand en dit speelt waarschijnlijk een grote rol bij hun overlevingskansen. Dat de overlevingskans van vroegtijdig opgevangen zeehonden lager blijkt te zijn, ondersteunt tevens dat de motivatie om een dier direct op te nemen niet willekeurig is. Een deel van de dieren die zonder interventie naar zee zijn vertrokken waren slechts vluchtig waargenomen op het strand. Voor deze dieren, maar ook voor de dieren die worden vrijgelaten uit de opvang, is geen informatie beschikbaar over korte- en lange-termijn overlevingskansen. Ook zou moeten worden vermeld dat alle zeehondenpups na de zoogperiode van ruim drie weken door hun moeder worden verlaten. Het is, zeker aan het einde van het geboorte seizoen, moeilijk te zien of een dier een te vroeg verlaten jong is of een al gespeende pup is. Omdat de dieren, na het verlaten van de vindplek, niet gevolgd werden, kan niet worden bepaald of de dieren al of niet met de moeder zijn herenigd. Met de huidige informatie over het aantal geboortes en populatieontwikkeling is het heel waarschijnlijk dat veruit het grootste deel van de pups het eerste jaar sterven. Het is waarschijnlijk dat de zeehonden uit de opvang een afwijkende overlevingskans hebben. Enerzijds kunnen zij gedurende de opvang geen ervaring opdoen met het vangen van vis in het wild, wat mogelijk kan leiden tot een lagere overleving. Anderzijds hebben de zeehonden, veelal vrijgelaten in september, waarschijnlijk een groter lichaamsgewicht en daardoor mogelijk een grotere overleving dan de dan in het wild levende 0-jarige zeehonden. Naast een uniform registratiesysteem van waargenomen en opgevangen zeehonden van alle opvangcentra zou het aan te bevelen zijn om te onderzoeken wat de overlevingskans is van de opgevangen en vrijgelaten zeehondenpups, alsook de zeehondenpups in het wild.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Place of Publication | Den Helder |
| Publisher | Wageningen Marine Research |
| Number of pages | 36 |
| DOIs | |
| Publication status | Published - Nov 2025 |
Publication series
| Name | Wageningen Marine Research rapport |
|---|---|
| No. | C065A/25 |
Projects
- 1 Finished
-
KD-2025-028 Analyse data zeehondenopvang (BO-43-222-014)
Aarts, G. (Project Leader)
1/01/25 → 31/12/25
Project: LVVN project
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver