Intrahousehold allocation of resources : a microeconometric analysis

S. Dobbelsteen

    Research output: Thesisinternal PhD, WU

    Abstract

    Lange tijd is het huishouden door economen als een homogene eenheid beschouwd. In economische modellen die het gedrag van huishoudens beschreven werd geen aandacht besteed aan de verdeling van beschikbare middelen tussen de diverse leden van het huishouden. Echter, gedurende de laatste decennia hebben diverse onderzoeken aangetoond dat er verschillen tussen leden kunnen bestaan voor wat betreft voedselconsumptie, toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, sterfte-risico's, tijdsbestedingspatronen en het kunnen beschikken over geld.

    Dit proefschrift richt zich op de besluitvorming en consumptie van huishoudens, met speciale aandacht voor de individuele leden van een huishouden. De nadruk ligt op het formuleren en empirisch toetsen van micro-economische modellen die de allocatie van goederen binnen huishoudens kunnen beschrijven en verklaren. In hoofdstuk 1 wordt eerst een kort overzicht gegeven van onderzoek op dit terrein. We bespreken een aantal studies die verschillen in consumptie tussen huishoudleden op basis van geslacht of op basis van leeftijd hebben onderzocht. Daarnaast schetsen we de ontwikkeling in modellen waarmee het gedrag van huishoudens is beschreven en geanalyseerd, en de problemen rond de beschikbaarheid van gegevens om allocatie binnen huishoudens empirisch te kunnen onderzoeken. In de overige hoofdstukken worden achtereenvolgens de volgende thema's behandeld: het onderzoeken, op basis van bestedingen van huishoudens, van een mogelijk verschillende behandeling van zonen en dochters, voorkeuren van ouders voor kinderen van een bepaald geslacht, en de organisatie van financiën binnen huishoudens.

    In hoofdstuk 2 analyseren we bestedingen van huishoudens in Peru aan diverse voedselcategorieën. Deze analyse biedt ons de mogelijkheid te onderzoeken of er sprake is van een verschillende behandeling van jongens en meisjes binnen het huishouden. Met name de invloed van de aanwezigheid van kinderen op voedselcategorieën die uitsluitend door ouders geconsumeerd worden, zogenaamde 'adult goods', kan ons informatie geven over mogelijk verschillende bestedingen aan zonen en dochters. We schatten Engelcurves voor dertig verschillende voedselcategorieën, waarbij we dummies opnemen voor de aanwezigheid van kinderen van een bepaalde leeftijd en geslacht. Hoewel uit onze resultaten blijkt dat jongens en meisjes de uitgaven aan een aantal voedselcategorieën verschillend beïnvloeden, vinden we geen significante verschillen tussen hun effect op uitgaven aan 'adult goods'. We beredeneren dat hieruit geconcludeerd kan worden dat de betreffende dataset geen verschillende behandeling tussen zonen en dochters toont. Een andere conclusie van onze analyse is dat het opnemen van een kwadratische term van de totale voedselbestedingen in de Engelcurves de specificatie voor de verschillende voedselcategorieën significant verbetert. De meeste categorieën blijken als 'luxe' goed te kunnen worden aangeduid bij een laag voedselbudget, en als noodzakelijke of inferieure goederen bij hogere voedselbudgetten.

    In de hoofdstukken 3 en 4 onderzoeken we een onderwerp dat sterk verbonden is met een verschillende behandeling van jongens en meisjes binnen huishoudens, namelijk de vraag of ouders een voorkeur hebben voor kinderen van een bepaald geslacht. In de literatuur wordt gesuggereerd dat dergelijke voorkeuren een verklaring zouden kunnen bieden voor een ongelijke verdeling van goederen binnen huishoudens tussen zonen en dochters. In hoofdstuk 3 bespreken we verschillende methoden om geslachtsvoorkeuren van ouders te onderzoeken, die gebruik maken van verschillende typen gegevens over de vruchtbaarheid van huishoudens. Voor de empirische analyses maken we gebruik van een Nederlandse dataset, om te benadrukken dat geslachtsvoorkeuren niet uitsluitend in ontwikkelingslanden voorkomen. De analyse heeft implicaties voor de recente discussie in Nederland rond de mogelijkheid om het geslacht van kinderen te beïnvloeden.

    Als eerste passen we een aangepaste versie van de Parity Progression Ratio (PPR)-methode toe, welke gebaseerd is op het aantal kinderen dat ouders reeds hebben gekregen. Echter, vanwege zogenaamde censoring -problemen en de hieruit voortvloeiende onnauwkeurigheid van de berekende PPR concluderen we dat deze methode minder geschikt is voor onze doeleinden. Vervolgens analyseren we tijdsintervallen tussen opeenvolgende (mogelijke) geboortes door middel van een Cox proportional hazard model, welke expliciet rekening houdt met het censoring-probleem. Uit deze analyse blijkt dat ouders met twee zonen of twee dochters een grotere waarschijnlijkheid hebben om een derde kind te krijgen dan ouders die een zoon en een dochter hebben, hetgeen duidt op een voorkeur voor minstens een kind van elk geslacht. Tevens schatten we een probit- en een 2SLS-vergelijking van de beslissing van ouders zich te laten steriliseren. De probit analyse geeft onbevredigende resultaten, mogelijk als gevolg van de endogeniteit van een van de verklarende variabelen. De 2SLS-schatting die hiervoor corrigeert, toont dat paren met zowel een zoon als een dochter een grotere waarschijnlijkheid hebben zich te laten steriliseren dan andere paren. Ook dit resultaat duidt op een ouderlijke voorkeur voor minstens een kind van elk geslacht.

    Hoewel de verschillende herleide-vorm-schattingen op eenzelfde geslachtsvoorkeur wijzen, verschaffen ze geen inzicht in een mogelijke afweging van ouders tussen het gewenste aantal en het gewenste geslacht van kinderen. In hoofdstuk 4 specificeren we daarom een structureel 'vruchtbaarheids'-model, waarmee we de voorkeuren van ouders voor aantal en geslacht van hun kinderen expliciet kunnen bestuderen. Voor het empirisch schatten van dit model gebruiken we informatie over zowel het aantal geboortes in het verleden als de leeftijd van respondenten en een eventuele sterilisatie-beslissing van het huishouden. De resultaten duiden wederom op een voorkeur voor een combinatie van zonen en dochters, met name bij een laag gewenst kindertal. Het model stelt ons in staat te bepalen hoe het aantal kinderen van huishoudens kan wijzigen als ouders de mogelijkheid krijgen om het geslacht van hun kinderen te selecteren. Op basis van onze schattingsresultaten concluderen we dat een dergelijke mogelijkheid zal leiden tot een toename van huishoudens met een of twee kinderen en een afname van huishoudens met drie of meer kinderen.

    In hoofdstuk 5 en 6 richten we ons op de financiële organisatie binnen huishoudens. We bestuderen met name de verdeling van een aantal financiële taken tussen partners. Een belangrijke vraag daarbij is of deze verdeling van belang is voor het kunnen beïnvloeden van het bestedingspatroon van het huishouden. In hoofdstuk 5 concentreren we ons eerst op de diversiteit van de financiële organisatie van huishoudens door verschillende financiële beslissingen te onderzoeken. Tevens gaan we in op mogelijke verklaringen voor het feit dat partners verschillende informatie over het financieel management van hun huishouden verschaffen. In hoofdstuk 6 staat de mogelijke relatie tussen de verdeling van financiële taken tussen partners en het uitoefenen van invloed op het bestedingspatroon centraal. We specificeren twee theoretische modellen die de organisatie van huishoudfinanciën zouden kunnen verklaren. Het eerste, een huishoudproduktie-model, stelt dat de financiële organisatie voortkomt uit een efficiënte verdeling van taken. Het tweede, een speltheoretisch model, veronderstelt dat degene die de financiële taak verricht ook invloed kan uitoefenen op de uiteindelijke beslissing van het huishouden. De beide modellen voorspellen verschillende effecten van de lonen van partners op de verdeling van financiële taken in het huishouden. Door diverse financiële beslissingen met probit-vergelijkingen te analyseren, onderzoeken we welk model de financiële organisatie van huishoudens het best beschrijft. De resultaten corresponderen beter met het speltheoretische model dan met het huishoudproduktie-model. Hieruit concluderen we dat bij de organisatie van financiën binnen huishoudens het uitoefenen van invloed op het bestedingspatroon een grotere rol lijkt te spelen dan overwegingen met betrekking tot een efficiënte verdeling van taken.

    In hoofdstuk 7, tenslotte, vatten we de belangrijkste conclusies van ons onderzoek samen, en doen we enige aanbevelingen voor verder onderzoek.

    Original languageEnglish
    QualificationDoctor of Philosophy
    Awarding Institution
    Supervisors/Advisors
    • Kooreman, P., Promotor, External person
    Award date6 Sep 1996
    Place of PublicationS.l.
    Publisher
    Print ISBNs9789054855675
    Publication statusPublished - 1996

    Keywords

    • households
    • decision making
    • consumption
    • microeconomics
    • commodities
    • consumers
    • financial management
    • consumer goods

    Cite this