Gleygronden in het dekzandgebied van Salland

M. Knibbe

    Research output: Thesisinternal PhD, WU

    Abstract

    De in deze studie behandelde gleygronden zijn gevormd in dekzand en bestaan gewoonlijk uit een roestige, humeuze bovengrond, die rust op een roestige, humusarme ondergrond. Zij werden vroeger beekafzettingen, beekbezinkingsgronden en elzengronden genoemd. Thans worden de meeste als Zwarte Beekeerdgronden geclassificeerd.

    Gleygronden beslaan ongeveer 8 % van Nederland en tot 25 % van de dekzandgebieden. Zij komen voor in smalle beekdalen of in bredere vlakke laagten, die enkele decimeters tot ten hoogste enkele meters lager liggen dan de humuspodzolgronden in de naaste omgeving. Het verspreidingspatroon hangt nauw samen met het natuurlijke afwateringsstelsel.

    De gleygronden hebben overwegend grondwatertrap III, d.w.z. dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen 0 en 40 cm en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm - mv. ligt. De standen zijn tijdens het groeiseizoen soms te hoog voor een goede exploitatie van het grasland. Er zijn plannen in uitvoering om de waterhuishouding in Salland te verbeteren.

    De grondwaterstanden in de humuspodzolgronden zijn meestal hoger (gemeten t.o.v. NAP) dan in de gleygronden. Blijkens een onderzoek met behulp van piëzometers hangt dit samen met een vertraagde neerwaartse grondwaterstroming in de humuspodzolgronden en met een enigermate ontbreken van verticale bewegingen van het grondwater in de gleygronden. Dit is één van de redenen dat in humuspodzolgronden podzolering kon optreden en dat daarentegen in gleygronden de uitspoeling van diverse stoffen beperkt is gebleven. In sommige gevallen vond zelfs verrijking, bijv. in de vorm van ijzeroer en moeraskalk, plaats.

    Door de hoge grondwaterstanden en het betrekkelijk goede vochthoudende vermogen, kan grasland op de gleygronden een langdurige droogte tamelijk goed verdragen.

    De ondergrond van de gleygronden in Salland bestaat uit dikke lagen fluviatiele zanden en grinden uit de Würm- en Risstijd. Vanaf 1 à 2 meter diepte tot aan het maaiveld komen dekzanden voor, die grotendeels door uitwaaiing uit de onderliggende fluviatiele zanden zijn ontstaan. Het zand behoort voornamelijk tot het Oude dekzand; Jong dekzand vindt men niet of weinig in de gleygronden.

    De natuurlijke vegetatie tijdens het Holoceen op de gleygronden wordt sterk bepaald door de els. De goede eigenschappen van het elzenstrooisel hebben belangrijk bijgedragen tot het gunstige karakter van de thans aanwezige organische stof in de gleygronden. Het bodemgebruik is nu vrijwel uitsluitend grasland. De beweiding is er waarschijnlijk de voornaamste oorzaak van dat de in dit geval tamelijk instabiele humusvormen mull en moder, plaats hebben moeten maken voor Anmoor.

    Uitgaande van oorspronkelijk kalkrijk dekzand, waren kalkgehalte, pH en basenverzadiging aanvankelijk tamelijk hoog. Er worden thans, als gevolg van uitspoeling, vrij lage waarden gevonden, die evenwel toch nog hoger zijn dan die in de humuspodzolgronden. Bemesting, vooral bekalking, heeft weer tot enige verhoging geleid.

    In de gleygronden en in de humuspodzolgronden heeft verwering van zware mineralen plaatsgehad. Deze verwering is in de gleygronden vrijwel nihil in de ondergrond en matig in de bovengrond; in de humuspodzolgronden matig in de ondergrond en sterk in de bovengrond. De lutumfractie in de gleygronden bestaat gedeeltelijk uit ijzer- en voor de rest uit kleimineralen. De laatste zijn, behalve van fluviatiele en colluviale oorsprong, vrij zeker gedeeltelijk van plaatselijke nieuwvorming afkomstig.

    De gleyverschijnselen in gleygronden hangen samen met het gedrag van ijzerverbindingen. De roest staat in verband met driewaardige verbindingen, waarvan in de regel 0,2 tot 0,5% Fe 2 O 3 oplosbaar in 10% HCl voorkomt. De grijze kleuren, waarvan meestal ten onrechte wordt aangenomen dat ze de aanwezigheid van ferroverbindingen aangeven, zijn vrij zeker vooral de eigen kleuren van de kwartskorrels, die zichtbaar worden door het ontbreken van driewaardige verbindingen.

    Het ontstaan van gleyverschijnselen wordt gesplitst in mobilisatie, transport en neerslag van ijzerverbindingen. De mobilisatie wordt vooral door organische stoffen en een slechte zuurstofvoorziening, bijv. als gevolg van hoge grondwaterstanden, veroorzaakt. De aard van de waterbeweging, zowel de diepe grondwaterstroming van de humuspodzolgronden naar de gleygronden als bijv. de op plantewortels gerichte stroming, is bepalend voor het transport. De neerslag der ijzerverbindingen staat waarschijnlijk, behalve met een toegenomen aëratie, in verband met de aanwezigheid van kleimineralen en van eerder gevormde sesquioxyden. De meting van de redox-potentiaal, bijv. in en onder de humeuze bovengrond, in structuurelementen en bij wortels, is belangrijk voor het verklaren van het ontstaan van gleyverschijnselen.

    Het ontstaan van ijzerconcentraties in de bodem, bijv. in de vorm van ijzeroer, vivianiet en sideriet, wordt o.a. verklaard uit de aanvoer van ijzerverbindingen door het diepe grondwater. Langs de kleine rivieren is veel ijzeroer afkomstig van overstromingswater.

    Een deel van de gleyverschijnselen in Salland, waaronder veel roest in en dicht onder de humeuze bovengrond, is waarschijnlijk fossiel. Deze zijn ontstaan bij hogere grondwaterstanden. De reductieverschijnselen passen zich snel aan bij gewijzigde hydrologische omstandigheden en zijn daarom overwegend actueel.

    Het in de Duitse bodemkunde ontwikkelde begrip pseudogley is nauwelijks van toepassing op de gleygronden in Salland. Het wordt betwijfeld of de opvatting over de hydrologische voorwaarde voor het ontstaan van pseudogley, nl. de aanwezigheid van een tijdelijke grondwaterspiegel, voldoende gefundeerd is. Waarschijnlijk gaat het hier om gronden die in een zeker stadium van degradatie verkeren.

    Uit een vergelijking van de bodemvorming in gleygronden met die in humuspodzolgronden volgt, dat de grondwaterbeweging de primaire oorzaak is van de huidige verschillen tussen beide gronden. Samenhangend hiermee is een verschil in de aard van de vegetatie opgetreden, dat ook heeft bijgedragen tot de bodemkundige verschillen.
    Original languageDutch
    QualificationDoctor of Philosophy
    Awarding Institution
    • Wageningen University
    Supervisors/Advisors
    • Pons, L.J., Promotor
    Award date14 Nov 1969
    Place of PublicationWageningen
    Publisher
    Print ISBNs9789022002117
    Publication statusPublished - 1969

    Keywords

    • gley soils
    • pseudogleys
    • pseudogleyed soils
    • palaeosols
    • soil types
    • horizons
    • salland
    • overijssel

    Cite this