Evaluatie Nieuw Mosselpercelen: technische rapportage TO bemonstering vispopulaties 2020

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

In het kader van het Mosselconvenant zijn afspraken gemaakt over de optimalisatie van de kweekpercelen in de westelijke Waddenzee. Dit houdt in dat er nieuwe kweekpercelen voor mosselen uitgegeven worden op locaties waarvan men verwacht dat goede rendementen gerealiseerd kunnen worden en er op andere locaties percelen worden opgegeven. Dit resulteert in de aanleg van 850 ha nieuw kweekareaal. De schaalgrootte van deze maatregel is van dien aard, dat te verwachten valt dat deze maatregel effect kan hebben op populatieniveau van soorten die aangetrokken worden door de kweekmosselen als habitat in de vorm van hard substraat. De aan mosselen geassocieerde soorten betreffen bodemdieren, maar mogelijk ook vissoorten. In 2018 en 2019 zijn reeds T0 bemonsteringen (beoordeling voor aanleg) voor macrobenthos uitgevoerd en daarmee zijn de bodemdiergemeenschappen voor aanleg van nieuwe percelen in kaart gebracht. De huidige studie is erop gericht in kaart te brengen welke vissoorten in welke dichtheden aanwezig zijn in de gebieden waar nieuwe percelen voorzien zijn, om zo in de toekomst vast te kunnen stellen wat het effect van aanleg geweest is op deze soorten. De voorliggende technische rapportage beschrijft de methode en de voorlopige resultaten van de T0 bemonstering. Nadere analyse en discussie zal plaatsvinden wanneer de bemonsteringen uitgevoerd zijn nadat percelen in gebruik genomen zijn. Naast de aangetroffen vissoorten in de vangsten zijn ook de garnalen, krabben, kreeften, stekelhuidigen (zeesterren) en inktvissen geregistreerd en gerapporteerd. Er zijn vijf perceellocaties bemonsterd: Oosterom, Meep, Inschot in de Vliestroom komberging en Scheurrak en Scheer in de Marsdiep komberging. De bemonstering is uitgevoerd in september 2020 met een combinatie van actieve en passieve vistuigen, omdat elk tuig een bepaalde efficiëntie en selectiviteit heeft. Bovendien verschilt de ondergrond in de T0 en T1, waardoor we nu al rekening moesten houden met de mogelijkheden voor bemonstering in de T1. Als actief tuig is gebruik gemaakt van een mosselkor met omhullingskuil en als passief tuig is gebruik gemaakt van kubben. Beide tuigen zijn geschikt voor het bemonsteren van bodemvissen. Totaal zijn er 77 trekken uitgevoerd met de mosselkor. Het aantal trekken varieerde daarbij tussen de 10 en 21 per gebied en de treklengte was ±50m. Het aantal gevangen vissoorten per gebied varieerde tussen de drie en acht en het totaal aantal soorten tussen de 10 en 19. Grondels waren in de grootste aantallen aanwezig (78-1658 per ha). Daarnaast zijn botervis, zeedonderpad, kleine zeenaald, schar, schol, sprot, tong en vijfdradige meun aangetroffen. Het zijn vooral kleinere soorten of juvenielen van grotere soorten die zijn gevangen tijdens deze bemonstering. Er zijn in totaal 152 kubben uitgezet en iedere kub heeft 24 uur in het water gestaan. Per gebied waren er vier tot 12 bemonsteringslocaties, met vier kubben per locatie. In 68 van de 152 kubben zijn vissen aangetroffen. Het aantal gevangen vissoorten per gebied varieerde tussen de één en drie en het totaal aantal soorten tussen de vier en negen. Er zijn vijf verschillende vissoorten gevangen waarvan de vijfdradige meun de meest aangetroffen soort is, gevolgd door steenbolk. Van de overige drie soorten - aal, puitaal en zeedonderpad – werd slechts één exemplaar aangetroffen.
Original languageDutch
Place of PublicationYerseke
PublisherWageningen Marine Research
Number of pages23
DOIs
Publication statusPublished - Dec 2020

Publication series

NameWageningen Marine Research rapport
No.C177/20

Cite this