Ecology of geese wintering at the Lower Rhine area (Germany)

J.H. Mooij

    Research output: Thesisexternal PhD, WU

    Abstract


    "Die wilde Ganß hat viel und mancherley Nahmen 1 wird aber auch von etlichen Schnee=Ganß genennet / deweil sie zu Anfang deß Winters 1 wann der Schnee verhanden / sich bey uns aufhält" zo begon Conrad Gesner in de 17e eeuw zijn beschrijving van de ganzen. Ook tegenwoordig hebben ganzen nog weinig van hun fascinatie verloren. Elke winter, als zij in grote zwermen weer in hun wintergebieden aankomen, lokken zij duizenden geinteresseerde toeschouwers.

    Tegelijkertijd zien veel boeren hun aankomst met zorg, omdat zij bang zijn voor mogelijke schade aan weiden en gewassen. Overwinterden de meeste ganzen tot in de vorige eeuw nog voornamelijk in natuurlijke en semi-natuurlijke gebieden, zo dwong de toenemende ontginning van deze traditionele voedingsterreinen - voornamelijk ten bate van de landbouw -, de ganzen meer en meer in het cultuurlandschap te overwinteren. Deze verandering bracht hen aanvankelijk waarschijnlijk grote problemen, waardoor de ganzenaantallen in de loop van de tweede helft van de 19e en het begin van de 20e eeuw in West-Europa sterk terugliepen. Sinds het midden van deze eeuw schijnen de ganzen de voordelen van overwinteren op landbouwgronden, namelijk het groter aanbod en de betere kwaliteit van het plantaardig voedsel, te kunnen benutten en hun aantallen in West-Europa namen weer toe. Dit bracht hen in toenemende mate in conflict met de landbouw, omdat de grote ganzenzwerrnen door steeds meer boeren als direkte concurrenten beschouwd worden.

    Ook in het traditionele ganzenwinterareaal in het duitse Nederrijn-Gebied in Noordrijn-Westfalen zijn de problemen tussen ganzen (Kol- en Rietgans) en landbouw in de laatste jaren sterk toegenomen. Werd hier nog in de eerste helft van de jaren 70 een door alle zijden geaccepteerd ganzenjachtverbod van kracht, zo werd aan het begin van de jaren 80 niet alleen steeds vaker geëist de veronderstelde ganzenschade te vergoeden, maar ook de jacht van de sterk gestegen ganzenaantallen weer toe te laten (Hoofdstuk 2, 3, 4, 7 & 8).

    Met het doel gegevens voor een toekomstig ganzenbeleid in Noordrijn-Westfalen te verzamelen, begon de auteur 1976 met zijn ganzenorderzoek, dat zich in de loop van de jaren 80 ook tot andere ganzengebieden in Duitsland en aan het eind van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 tot de siberische broedgebieden uitbreidde. Deze dissertatie is in zekere zin een samenvatting van de resultaten van dit onderzoek zoals die eind 1994 beschikbaar waren.

    Op grond van de in de westeuropese wintergebieden doorgevoerde tellingen was men sinds de jaren 60 van mening, dat de bestanden van Riet- en Kolgans in de westelijke Palearctis sterk toenamen. In de broedgebieden werd voor de jaren 80 echter een constant populatieniveau voor de Kolgans en een sterke achteruitgang van de Rietgans vastgesteld. Daar over dezelfde periode niet alleen een sterke toename van beide soorten in het relatief goed getelde westeuropese wintergebied, maar tegelijkertijd een sterke teruggang in de minder goed getelde wintergebieden van Zuidoost-Europa vastgesteld werd, is het waarschijnlijk, dat de toename in West-Europa meer met verschuivingen van overwinterings- zwaartepunten binnen de West-Palearctis, dan met een reële toename der bestanden van beide soorten te maken heeft (Hoofdstuk 2, 4, 5 & 8).
    Er is nog verder onderzoek nodig om dit probleem definitief op te lossen.

    Ook de tot nu toe gangbare mening over de migratie van beide soorten schijnen niet houdbaar. Een analyse van de terugmeldingen van geringde en gemarkeerde Kolganzen voert tot de conclusie, dat de contacten tussen de verschillende winterpopulaties in de westelijke Palearctis veel intensiever zijn dan tot nu toe werd aangenomen en dat vogels van één broedgebied in ver uitelkaar gelegen wintergebieden aan te treffen zijn. Hierdoor is niet alleen een regelmatige genetische uitwisseling tussen de broedpopulaties gegarandeerd, maar ontstaat ook de mogelijkheid, dat de overwinterende vogels van een gebied relatief snel op ecologische veranderingen reageren en naar een ander (eventueel ook op grote afstand gelegen) wintergebied verhuizen kunnen (Hoofdstuk 2 & 5).

    Ondanks tientallen jaren van onderzoek en discussie is het nog steeds onduidelijk hoeveel ondersoorten de Rietgans heeft, waar deze broeden en waar de grenzen tussen de verschillende ondersoorten liggen. Hierdoor is het trekverloop van de Rietgans uiterst moeilijk te reconstrueren. Zeker is, dat er een regelmatige uitwisseling tussen de wintergebieden in West- en Zuidoost-Europa bestaat, terwijl over een mogelijke uitwisseling tussen de overwinterende Rietganzen van Scandinavië en England enerzijds en die in de rest van Europa anderzijds geen gegevens beschikbaar zijn (Hoofdstuk 2).

    Alhoewel zeker nog veel onderzoek nodig is om alle vragen over de trek van beide soorten op te lossen, schijnt zeker, dat zij gedurende het jaar in gebieden verblijven, waar de gemiddelde maandtemperatuur enige graden boven de 0°C ligt, waardoor zij in het algemeen over redelijk vers, en daardoor redelijk goed verteerbaar gras beschikken kunnen (Hoofdstuk 2, 6 & 7).

    De toename van de ganzenaantallen in West-Europa ging gepaard met een toenemend aantal ganzen in Duitsland, in het bijzonder in de bondsstaten Brandenburg en Mecklenburg-Voorpommeren in het oosten en in het Dollart-gebied (Nedersaksen) en aan de duitse Nederrijn (Noordrijn-Westfalen). Met meer dan 150 000 Kolganzen en in sommige winters 50 000 Rietganzen werd de duitse Nederrijn in de tweede helft van de jaren 80 een van de belangrijkste ganzenwintergebieden in West-Europa (Hoofdstuk 2, 3, 4 & 8).

    Tijdens vluchten over het wintergebied aan de duitse Nederrijn volgen de ganzen bepaalde vliegroutes. De belangrijkste verloopt langs de Rijn en verbindt de zes belangrijkste slaapplaatsen. Alle ganzenslaapplaatsen in dit gebied liggen op de oever van de Rijn, van een oude Rijnstrang of van een uiterwaarden-ontgronding, hebben een lage storingsintensiteit, vlakke oevers en grasvegetatie. De belangrijkste aktiviteit op de slaapplaatsen (oponthoud gemiddeld 13 1/2 uur) is slapen (gemiddeld 6 uur), direct gevolgd door voedselopname (gemiddeld 5 ¼ uur). De ganzen verdelen de voedselopname over de gehele dag: 60% gedurende daglicht en 40% gedurende de nacht.

    In de vroege ochtenduren vliegen de ganzenzwermen van de "slaapplaatsen" naar de voedingsterreinen, voor een oponthoud van gemiddeld 10 ½ uur. Hier is voedselopname (gemiddeld 8 uur) ongetwijfeld de belangrijkste aktiviteit, gevolgd door slapen (gemiddeld 1 ¼ uur).

    Vanaf een slaapplaats vliegen de meeste ganzen 's morgens naar de voedingsgebieden in de directe omgeving en 's avonds van een voedingsterrein naar de dichstbijzijnde slaapplaats. Op deze wijze ontstaan eenheden, die uit een slaapplaats en een aantal voedingsterreinen bestaan en door de auteur "Complexen" genoemd worden (Hoofdstuk 2, 4 & 6).

    De in het gebied van de duitse Nederrijn overwinterende ganzen zijn voornamelijk op grasland aan te treffen, slechts maximaal 15% van de ganzendagen worden op akkers doorgebracht. De voorkeur voor grasland is met meer dan 95% van de ganzendagen bij Kolganzen duidelijk groter dan bij Rietganzen, die ca. 80% van de ganzendagen op grasland doorbrengen.

    De voedselopname is de belangrijkste aktiviteit van de aan de duitse Nederrijn overwinterende ganzen, die gemiddeld ca. 55% van een 24-uurs dag (13 ¼ uur) nodig hebben om de dagelijks benodigde grashoeveelheid van gemiddeld 1 500 g versgewicht (= 300 g drooggewicht) voor een Kolgans en van gemiddeld 1950 g versgewicht (= 390 g drooggewicht) voor een Rietgans op te nemen. Als gevolg van het relatief weinig effektieve spijsverteringssysteem, verlaat - afhankelijk van het gehalte aan ballaststoffen in het opgenomen gras - 70% (of meer) van het opgenomen voedsel na een darmpassage van ¼ - 1 ½ uur het lichaam in de vorm van ganzenkeutels. Uit het voor de vogels bruikbare gedeelte van het opgenomen voedsel, winnen zij per dag ca. 2 100 kJ aan energie (Kolgans: 1780 kJ/dag; Rietgans: 2 360 kJ/dag), waarmee zij hun dagelijkse energiebehoefte dekken Door de snelle darmpassage zijn de darmen van de ganzen bij voeding op gras na maximaal 2 uur zonder voedselopname leeg en zou de vogel op zijn vetreserves moeten terugvallen. Daar het fysiologisch weinig zinvol is, iedere nacht op de in de winter zo dringend nodige vetreserves te teren, terwijl aan de oever voedsel in overvloed staat, brengen de aan de duitse Nederrijn overwinterende ganzen het grootste deel van de nacht aan land door en verdelen de voedselopname over het hele etmaal (Hoofdstuk 2, 4 & 6).

    Hun relatief hoge voedselbehoefte dekken de ganzen van de duitse Nederrijn bijna uitsluitend op landbouwgronden. Hieruit af te leiden, dat zij daarom automatisch een belasting voor de landbouw zijn, is niet juist. Er bestaat geen directe relatie tussen het optreden en de hoogte van ganzenschade enerzijds en het aantal ganzen, dat in het gebied overwintert, of de voedselbehoefte van de individueëIe gans anderzijds. Ganzenschade ontstaat veelal op plaatsen, waar een overbeweiding van de vegetatie plaatsvindt.

    Beweidingsproeven met ganzen in kooien toonden, dat na een begrazing met een intensiteit van 3 000 ganzendagen/ha op grasland opbrengstverliezen van ca. 10% in de eerste snede (begin Mei) en van ca. 3% van de jaar-opbrengst optreden kunnen. Op de percelen met wintergranen trad bij deze beweidingsintensiteit een oogstderving van 10-15% op. Bij hogere beweidingsintensiteiten kunnen de oogstverliezen nog beduidend hoger liggen. Op grond van de onderzoeksresuitaten werd duidelijk, dat op de landbouwgronden van de duitse Nederrijn ganzenschade op grasland bij het overschrijden van een beweidingsintensiteit van 2 000 ganzendagen/ha (vergelijkbaar met een keuteldichtte van ca. 20 ganzenkeutels/m 2) verwacht kan worden. Voor granen ligt deze grenswaarde lager, zodat ganzenschade op graanvelden bij het overschrijden van een beweidingsintensiteit van 1 500 ganzendagen/ha (vergelijkbaar met een keuteldichtte van ca. 15 ganzenkeutels/m 2) verwacht kan worden (Hoofdstuk 7).

    Ganzen schijnen echter over natuurlijke mechanismen te beschikken, om een overbeweiding van hun voedingsgebieden te vermijden en zich optimaal over hun voedingsterreinen te verdelen. Aan de duitse Nederrijn wordt grasland door de ganzen meestal niet meer opgezocht als de vegetatiehoogte tot op een gemiddeld niveau van 2 - 4 cm afgevreten is. Dit is meestal na een begrazing met een intensiteit van ca. 2 000 ganzendagen/ha het geval.

    Vanaf dat moment wordt waarschijnlijk de hoeveelheid energie, die nodig is om de dagelijkse voedselbehoefte op te nemen, groter dan de hoeveelheid energie die hier gedurende de dag opgenomen kan worden.

    De duitse Nederrijn beschikt echter over een dicht wegennet en de storingsintensiteit is relatief hoog. Regelmatig worden de voedselzoekende ganzen door menselijke aktiviteiten gestoord. Iedere storing echter, die de ganzen laat opvliegen, zorgt voor een concentratie van de vogels in enige weinig gestoorde gebieden, waar het dan tot een veel hogere beweidingsintensiteit komt als zonder storingen het geval zou zijn geweest. Hier komt het dan tot een overbeweiding van de vegetatie, die ganzenschade tot gevolg kan hebben. De storingen van voedselzoekende ganzen heeft niet alleen tot gevolg dat de vogels tijd voor voedselzoeken verliezen en een hogere energiebehoefte hebben door het vliegen, maar beperkt ook de grootte van het beschikbare voedselgebied, omdat terreinen met een hoge storingsintensiteit gemeden worden. Storingen verhogen zo het risiko van ganzenschade door een sterkere concentratie en een verhoogde energiebehoefte van de gestoorde ganzen (Hoofdstuk 2, 4, 6 & 7).

    Omdat er geen directe relatie bestaat tussen het optreden en de hoogte van ganzenschade enerzijds en het aantal ganzen, dat in het gebied overwintert anderzijds, is het weinig zinvol een algemene reductie van het aantal ganzen door middel van de jacht door te voeren om de ganzenschade te verminderen. De voor de ganzen optimale gebieden worden ook dan door grote ganzenconcentraties bezocht, terwijl hoogstens enige suboptimale terreinen door een geringer aantal ganzen bezocht worden. Verder bestaat het gevaar, dat de overlevingskans van hele ganzenpopulaties in gevaar gebracht wordt. Omdat er geen betrouwbare gegevens bekend zijn over de aantallen ganzen, die in andere landen langs de trekroute jaarlijks geschoten worden en het voortplantingssucces van de ganzen van jaar tot jaar grote verschillen vertoont, bestaat - vooral bij intensief bejaagde soorten als Kol- en Rietgans - het gevaar, dat de ongekoördineerde jacht op deze trekvogels binnen de westelijke Palearctis zich tot een akute bedreiging voor de bejaagde soorten ontwikkelt. Uit een aantal landen langs de trekroute van beide soorten zijn voorzichtige schattingen van de in de jaren 80 jaarlijks geschoten ganzenaantallen beschikbaar. Uitgaand van deze schattingen blijkt, dat in die periode jaarlijks ca. 150 000 - 200 000 Kolen ca. 70 000 - 95 000 Rietganzen (ca. 20% van de westpalearctische populaties van beide soorten) geschoten werden. Hierbij komen nog ca. 5-6% van de populaties, die stierven door indirekte bijwerkingen van de jacht (b.v. aangeschoten vogels, loodvergiftiging), zodat gedurende de jaren 80 door de jacht jaarlijks minstens ca. 25% van het bestand van beide populaties onttrokken werd. Bij een jaarlijks voortplantingssucces van gemiddeld 39% voor de Kol- en 34% voor de Rietgans blijft voor de natuurlijke mortaliteit en een eventueel jaarlijks reproductie-overschot niet veel speelruimte meer over. Het feit, dat russische onderzoekers in de broedgebieden voor de jaren 80 een constant populatieniveau voor de Kolgans en een sterke achteruitgang van de Rietgans hebben vastgesteld, is mogelijkerwijze op de hoge jachtdruk terug te voeren.

    Het gevaar van overbejaging bij Kol- en Rietgans is in de laatste jaren sterk gestegen, omdat de veranderingen in Oost-Europa in verscheidene staten een kontrole van de jachtwetten niet meer mogelijk en ganzenjacht voor de bevolking een welkome bron van voedsel en deviezen geworden is. Totdat een kontroleerbaar jachtsysteem voor de gehele trekroute mogelijk is, moet de (voornamelijk recreatieve) ganzenjacht in West-Europa sterk beperkt worden.

    Ook een doelgerichte jacht op ganzen op terreinen waar regelmatig ganzenschade optreedt is niet aanvaardbaar vanwege de onkontroleerbare negatieve uitwerkingen die deze heeft op zowel de ganzenpopulaties als op het milieu, te weten: loodbelasting voor de ganzen en het milieu, verhoogde schuwheid waardoor de grootte van het voedselareaal verminderd wordt, onnodig grootschalige storing van voedselzoekende ganzen en concentratie van ganzen in gebieden met een geringe storingsfrequentie.

    De beste manier om ganzenschade te voorkomen enlof te verminderen is het inrichten van ganzenreservaten, die groot genoeg zijn om alle daar overwinterende ganzen te voeden zonder dat het tot een overbegrazing van delen van het gebied behoeft te komen. Buiten deze reservaten kunnen de ganzen dan van voor schade gevoelige gewassen verjaagd worden, echter zonder jacht (Hoofdstuk 2, 4, 6, 7 & 8).

    Original languageEnglish
    QualificationDoctor of Philosophy
    Awarding Institution
    Supervisors/Advisors
    • Stortenbeker, C.W., Promotor, External person
    • Drent, R.H., Promotor, External person
    Award date18 Oct 1996
    Place of PublicationS.l.
    Publisher
    Print ISBNs9789090098555
    Publication statusPublished - 1996

    Keywords

    • anser
    • geese
    • plants
    • climate
    • seasons
    • phenology
    • flora
    • vegetation
    • protection
    • conservation
    • germany
    • noxious animals

    Cite this