De bodemgesteldheid van de aanpassingsinrichting Ade; resultaten van een bodemgeografisch onderzoek

H. Rosing, F. Brouwer, M. Pleijter

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

Het gebied van de aanpassingsinrichting Ade bestaat voor ca. 2/3 van de oppervlakte cultuurgronden uit bovenlandgronden en voor het overige deel uit droogmakerijgronden. Het gehele gebied raakte in het begin van het Holoceen bedekt met veen (Basisveen), waarop later door verdere stijging van de zeespiegel zavel en klei (Afzettingen van Calais) tot afzetting kwam. Nadat zich langs de kust een min of meer gesloten systeem van strandwallen had ontwikkeld, nam de invloed van de zee af en werden de omstandigheden voor de vorming van veen weer gunstig. Tot aan het eind van het Subboreaal kon zich een dik veenpakket ontwikkelen. Hierna was de zeespiegel weer zover gestegen dat weer zavel en klei tot afzetting kwam (Afzettingen van Duinkerke). Het bovenlandwerd nu met een dunne laag zavel of klei overdekt, waarbij het materiaal voornamelijk via voormalige veenstroompjes werd aangevoerd. De dikste kleipakketten worden in en langs deze stroompjes aangetroffen. In de droogmakerijen heeft de zee waarschijnlijkminder invloed gehad. Hier ontstond ten slotte veenmosveen, dat later voor de turfbereiding werd gebruikt. Ter plaatse ontstonden plassen, die aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw zijn drooggemalen. Bijna overal bestaat de bovengrond uit een toemaakdek, waardoor de gronden een eerdlaag hebben gekregen. De grootste oppervlakte, zowel in het bovenland als in de droogmakerijen, bestaan uit koopveengronden, weideveengronden, liedeerdgronden en leek-/woudeerdgronden. De fluctuatie van het grondwater is gering vanwege de goede polderpeilbeheersing.
Original languageUndefined/Unknown
Place of PublicationWageningen
PublisherAlterra
Number of pages76
Publication statusPublished - 2000

Publication series

NameSC-rapport
No.700

Cite this