Cohabitation, an alternative to marriage? : A cross-national study

G.E. Wiersma

    Research output: Thesisinternal PhD, WU

    Abstract

    Het hoofddoel van deze studie is een beschrijving te geven van ongehuwd samenwonende heteroseksuele paren in vergelijking met gehuwde paren in Nederland en in de Verenigde Staten.

    De snelle toename van ongehuwd samenwonen in West-Europa en in de Verenigde Staten in het afgelopen decennium, het gebrek aan voldoende wetenschappelijke kennis over deze samenlevingsvorm, alsmede de huidige levensbeschouwelijke, maatschappelijke en politieke discussies naar aanleiding hiervan vormden de voornaamste redenen waarom dit onderzoek werd ondernomen.

    De probleemstelling van deze studie luidt als volgt (Hoofdstuk 3):
    1. Verschillen ongehuwd samenwonende paren van een parallel groep van gehuwde paren (die niet eerst hebben samengewoond), en zo ja - in welk opzicht?
    2. In welke mate komen verschillen tussen beide groepen (ongehuwde en gehuwde paren) in Nederland overeen met verschillen in de Verenigde Staten?

    Aangezien de verschillen tussen ongehuwde en gehuwde paren wat hun "Individuatiegraad" betreft één van de belangrijkste onderzoeksthema's is, wordt dit thema reeds in Hoofdstuk 2 geintroduceerd. "Individuatiegraad" is gedefinieerd als de uitkomst van het zoeken naar een balans tussen de paradoxale verlangens naar enerzijds individuatie (persoonlijke vrijheid en onafhankelijkheid) en anderzijds naar identificatie (geborgenheid in tweezaamheid). Dit uitgangspunt leidt vervolgens tot enige filosofische en sociologische beschouwingen en tot een opsomming van dichotome verlangens inherent aan de intieme paarrelatie (Chart 3, pg. 22).

    In Hoofdstuk 3 wordt met behulp van enkele grondbegrippen uit het functionalisme als ordenende principes, een overzicht gegeven van recente literatuur en theoretische ontwikkelingen op het gebied van ongehuwd samenwonen in Europa en in de Verenigde Staten. Eveneens worden hieruit voortvloeiende hypothesen geformuleerd (Bijlage B).

    De methodiek van het onderzoekwjordt in verkorte vorm geintroduceerd in Hoofdstuk 1 (Paragraaf 2) en meer gedetailleerd verslagen in Hoofdstuk 3 (Paragrafen 3 - 5). Voor Nederland gaat het hier om een steekproef van 50 ongehuwde paren, van 20 tot en met 40 jaar, en 50 hiermee vergelijkbare gehuwde paren, getrokken uit het bevolkingsregister van de gemeente Amersfoort. Voor elk ongehuwd samenwonend paar werd namelijk een 'matching' gehuwd paar gevonden qua leeftijd, beroepsklasse, duur van de relatie, en aantal kinderen. Op analoge wijze zijn in de Verenigde Staten in twee gemeenten ten noorden van Boston 32 ongehuwde en 32 gehuwde paren geselecteerd. De gegevens zijn verzameld in de jaren 1980 en 1981. Partners beantwoordden onafhankelijk van elkaar een gestructureerde vragenlijst in het bijzijn van een interviewer.
    Vervolgens worden in Hoofdstuk 4 de verwachte verschillen tussen ongehuwde en gehuwde paren vergeleken met de uitkomsten van deze studie. Bovendien worden aan het einde van dit hoofdstuk de resultaten van een dergelijke beschrijvende hypothesentoetsende analyse samengevat aan de hand van bestaande wetenschappelijke kennis op het terrein van samenwonen, huwelijk en gezin. Het blijkt, dat samenwonenden in vele opzichten van gehuwden verschillen. Bovendien bestaan er significante verschillen tussen de uitkomsten voor de Nederlandse koppels en de Amerikaanse koppels. Steekproeven van samenwonenden getrokken uit ongehuwde 20 tot en met 40 jarigen in beide landen, bestaan voor het merendeel uit tamelijk jonge (gemiddelde leeftijd is 28 jaar), kinderloze koppels, waarvan beide partners buitenshuis werken, en die gezien hun opleidingen en beroepen tot de middenklasse behoren. Zij kennen elkaar gemiddeld 4½ á 5½ jaar, waarvan ze de laatste 3 tot 4 jaar hebben samengewoond. Slechts een gering aantal is getrouwd geweest of heeft eerder samengewoond, dus het is voor velen een eerste ervaring samen te wonen met een intieme partner van de andere sexe. Anders gezegd, het zijn tamelijk stabiele koppels die hun jeugdjaren achter de rug hebben en die met goede vooruitzichten de middelbare leeftijd tegemoet gaan. Hoogstwaarschijnlijk zullen ze in de nabije toekomst besluiten met betrekking tot huwelijk, gezin en ouderschap nemen en hierbij zullen de revolutionaire veranderingen die zich op dit terrein tijdens hun levensloop hebben afgespeeld ongetwijfeld een rol spelen. Het merendeel van deze respondenten is nanelijk geboren in de vijftiger jaren uit ouders die de depressie en de oorlogsjaren bewust hebben meegemaakt. Alhoewel in de Verenigde Staten de Tweede Wereldoorlog van minder nabij werd ervaren dan in Europa, de maatschappelijke ontwikkelingen en tendensen sindsdien vertonen grote overeenkomsten. Om kort te gaan (zie Hoofdstuk 6 voor een meer uitgebreide discussie), de jonggetrouwden, na de omwentelingen en verwarringen van de oorlogsjaren, begonnen aan de herbouw van hun levens, achtten huwelijk, gezin en huishouding van groot belang, en vervolgens overspoelden zij de Westerse wereld met een geboortengolf. Ofschoon de respondenten hun levensloop in dit meer traditionele gezins- en leefklimaat begonnen, werden ze spoedig, als adolescenten, geconfronteerd met de diepgaande sociale veranderingen van de zestiger jaren, en vervolgens met nogmaals een ommekeer, tenminste in economische ontwikkelingen, in de jaren zeventig. Aan het begin van de jaren tachtig, ten tijde van dit onderzoek, zien deze intussen volwassen respondenten nieuw verworven lvrijheden' geplaatst temidden van economische en politieke realiteiten die mogelijk een bedreiging vormen voor de wens tot zelfontplooiing en zelfverwerkelijking in een geindividueerde maatschappij. Tegen de achtergrond van deze enigszins speculatieve observaties warden de gerapporteerde gedragspatronen en attitudes van jonge koppels onder de loep genomen.

    Samenwonende paren, in vergelijking met gehuwde paren, zijn meer autonoom en de partners onderling zijn meer onafhankelijk van elkaar: zij bezoeken familieleden minder frequent; zij gaan minder vaak ter kerke; slechts enkelen komen tot wettelijke regelingen of maken onderlinge afspraken; zij zijn meer geneigd hun financiën gescheiden te houden. Ofschoon de samenwonenden in het algemeen de relatie met de partner zeer positief beoordelen, zijn ze iets minder extreem (significant verschil) in loftuitingen dan de gehuwden. Ook zijn ze naar verhouding iets minder bereid zich volkomen in te zetten voor de relatie, lopen ze iets vaker rond net de gedachte de relatie te bedindigen, en zijn ze iets minder gelukkig. Nogmaals, hieruit mag niet geconcludeerd worden, dat de samenwonenden in een crisissituatie verkeren, verre van dat, ze drukken zich echter, relatief gezien, iets kritischer uit. Het is mogelijk dat de samenwonenden meer bereid zijn zich kritisch op te stellen gezien het feit, dat het merendeel het samenwonen met de partner als een uitproberen van de relatie is begonnen en ze sterker de nadruk leggen op evenwaardigheid in de relatie wat o.a. dominantie en onafhahkelijkheid betreft. Bovendien impliceren hun antwoorden dat ze in een meer ambigue situatie verkeren. Bijv. de overgrote meerderheid is niet principieel tegen het huwelijk maar heeft het tot nu toe om verschillende redenen uitgesteld. Alhoewel het huwelijk als een romantische droom heeft afgedaan, vooral onder de Nederlandse samenwonenden, de paarrelatie zelf blijft omringd met hooggespannen verwachtingen. Enerzijds benadrukken ze persoonlijke vrijheid, anderzijds richten ze zich naar het ideaal van grote saamhorigheid en gebondenheid met de partner, alhoewel, in vergelijking met de gehuwden, de huidige partner minder exclusief als de vervuller van het levensgeluk wordt beschouwd. Zij behouden een zekere mate van zelfstandigheid in hun saamhorigheid; ze wensen beide. Zij geven daarbij blijk van een grotere onduidelijkheid wat het paar-imago betreft: uiterlijk (bijv. door het behoud van financidle gescheidenheid) en ook innerlijk (bijv. door een iets geringere inzet voor de relatie) zijn ze een minder scherp omlijnde twee-eenheid, maar tegelijkertijd stellen ze de paarrelatie centraal.

    Wat attitudes omtrent het huwelijk betreft vertonen de Nederlandse en Amerikaanse samenwonenden onderling significante verschillen. Voor een meerderheid van de Amerikaanse samenwonenden blijft het huwelijk een uitdrukking van wederzijdse liefde en is het de kroon op een met succes afgelegde proeffase van een duurzame paarrelatie. Daarnaast speelt de wens tot ouderschap een belangrijke rol in het besluit al of niet te trouwen. Overigens, hun huwelijksidealen moeten in het licht van grotere huidige onzekerheden in de relatie met de partner gezien worden. Tenminste, in vergelijking met alle andere respondentengroepen zijn zij het meest onzeker over de duurzaamheid van de relatie en het meest geneigd financign gescheiden te houden. De Nederlandse samenwonenden devalueren en de-mythologiseren de huwelijksinstitutie. Het huwelijk is niet langer een symbool van het zo fundamentele en meedogenloos nagejaagde menselijke sentiment: de grote liefde. Weinigen onder hen verwerpen het huwelijk volkomen, maar de rest kan slechts enkele redenen noemen die belangrijk zijn om in de toekomst te gaan trouwen. In plaats van zich in te zetten voor het huwelijk zetten ze zich voor de paarrelatie zelf in. In plaats van 'trouw' te associëren met trouwen, berust de paarrelatie perse op wederzijds vertrouwen. Vertrouwen in elkaar bezegelt de 'onwettige' paarrelatie. Tevens blijkt dat zowel voor het merendeel van de Amerikaanse als voor de Nederlandse samenwonenden een gebrek aan vertrouwen de primaire reden is de relatie te beëindigen. Dit is niet verbazingwekkend in een 'entzauberte Welt' waarin secondaire relaties en het nodige wantrouwen als een bijkomende omstandigheid vaak de overhand hebben. Dus, zonder wettig contract ligt vooral wederzijds vertrouwen ten grondslag aan de duurzame paarrelatie. Overigens, de notie dat het huwelijk grotere zekerheid en stabiliteit zou bieden, is een gedachte waarover de Nederlandse ongehuwden en gehuwden het meest van mening verschillen. De resultaten van een discriminant-analyse, gebaseerd op 63 variabelen volgens welke de ongehuwde en gehuwde paren significant verschillen, tonen aan dat we met behulp van een combinatie van slechts twee variabelen, 75 procent van de paren correct kunnen classificeren als ongehuwd samenwonend of als gehuwd. M.a.w., de antwoorden op twee vragen voorspellen met een betrouwbaarheid van 75 procent of een paar al of niet gehuwd is. De vragen beschrijven het huwelijk als een veilige "haven" waarin grotere stabiliteit en zekerheid gevonden kan warden. Hiermee zijn de Nederlandse samenwonenden het geheel niet eens, in tegenstelling tot de gehuwden, waarvan een meerderheid hiermee instemt. Een analoge discriminant-analyse voor de Amerikaanse koppels toont aan, dat met behulp van drie vragen (alle drie zijn redenen te gaan trouwen) 89 procent van de Amerikaanse paren correct geclassificeerd kunnen worden als ongehuwde of als gehuwde paren.

    De verwachting is dat het merendeel van zowel de Nederlandse als de Amerikaanse samenwonenden op de lange duur gaat trouwen, vooral als ze kinderen wensen en zolang ze, uiteraard, de relatie willen continueren. Voor Amerikaanse samenwonenden is het huwelijk een "rite de confirmation" na een proeffase; voor Nederlandse samenwonenden is het een wettelijke formaliteit in het belang van kinderen en met zekere daaruit voortvloeiende voordelen. In beide landen speelt de wens tot ouderschap dus een cruciale rol in de beslissing al of niet te trouwen. Dit suggereert, dat het huwelijk, hoe neutraal en hoe indifferent men hier ook tegenover staat, in wezen bestaat om kinderen in de wereld te brengen en te laten opgroeien. Het feit dat slechts een minderheid van de samenwonenden in beide landen zeker is in de toekomst kinderen te willen hebben geeft hierbij stof tot nadenken. De veronderstelling is, dat de Nederlandse samenwonenden die geen kinderen willen, het minst geneigd zijn naar het stadhuis te gaan om hun relatie met een wettelijke huwelijkssluiting te bezegelen.

    De samenwonenden in deze studie zijn noch een exponent van een nieuwe moraal, noch de vertegenwoordigers van een meer traditionele paarrelatie. Ofschoon samenwonenden in vergelijking met gehuwden grote tolerantie vertonen wat niet-traditionele gedragingen van anderen betreft, slechts weinigen rapporteren zelf (alhoewel meer frequent dan gehuwden), de taboes van seksuele ontrouw en ongehuwd ouderschap te hebben doorbroken. Wel zijn ze iets minder geneigd tot volkamen exclusiviteit in de man - vrouw verhouding en vandaar dat onder hen, meer dan onder gehuwden, een minder traditionele leefwijze en de aanzet tot een open paarrelatie potentieel aanwezig is. Maar, gezien deze koppels een duurzame en hechte paarrelatie van groot belang achten zal voor velen, vermoedelijk, een duurzame relatie met de partner gebaseerd op monogame partnertrouw het toekomstideaal blijven.

    Vervolgens wordt in Hoofdstuk 5 de vraag beantwoord of het gevonden verband tussen het al of niet gehuwd zijn en de individuatiegraad beInvloed wordt door andere factoren. Het blijkt namelijk dat samenwonenden, in vergelijking met gehuwden, zich meer individualistisch opstellen en zich iets minder idealistisch uitlaten over de paarrelatie. Met andere woorden, de toetsing van welke factoren de gevonden verschillen mede verklaren is het centrale onderzoeksthema in Hoofdstuk 5. De resultaten van regressieanalyses tonen aan dat bepaalde factoren het gevonden verband dusdanig beinvloeden dat het verschil in individuatie/idealisatie tussen een samenwonend paar en het daarbijbehorende gehuwde paar (een 'matching' kwartet) grotendeels verdwijnt. voor de Nederlandse 'matching' koppels kan 62 procent van de variantie van de individuatiegraad door overige factoren verklaard worden; voor de Amerikaanse koppels 84 procent. Het blijkt namelijk dat de gevonden verschillen verdwijnen indien de 'matching' kwartetten overeenkomen wat de volgende factoren betreft: beide paren zijn even kritisch in hun beoordeling van de paarrelatie; beide paren eisen eenzelfde mate van egaliteit in de relatie; beide paren hebben bepaalde overeenkomstige attitudes omtrent het huwelijk; beide paren zijn reeds geruime tijd samen. Dit betekent dat individuatiegraad in de eerste plaats afhangt van deze variabelen en dat het al of niet wettig gehuwd zijn van weinig invloed is. In principe kan elk koppel, zowel gehuwd als ongehuwd, zich plaatsen tussen de polen van het continuum - individuatie enerzijds en identificatie anderzijds - hét centrale thema van deze studie.

    Original languageEnglish
    QualificationDoctor of Philosophy
    Awarding Institution
    Supervisors/Advisors
    • Kooy, G.A., Promotor, External person
    Award date22 Jun 1983
    Place of PublicationWageningen
    Publisher
    Publication statusPublished - 1983

    Keywords

    • marital interaction
    • men
    • relationships
    • women
    • cohabitation

    Cite this

    Wiersma, G. E. (1983). Cohabitation, an alternative to marriage? : A cross-national study. Wageningen: Wiersma.