Bodemgezondheidproef 2019 : Effect van maatregelen en teeltsystemen op milieuaaltjes

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

Het oorspronkelijke doel van de Bodemgezondheidproef was om bodemmaatregelen te toetsen die kunnen worden gebruikt om het wortellesieaaltje Pratylenchus penetrans en de bodemschimmel Verticillium dahliae te beheersen in een akkerbouwsysteem op zandgrond. Daarnaast is de proef gebruikt om maatregelen te ontwikkelen die bodemweerbaarheid en bodemleven kunnen stimuleren en om dit te meten. In zowel een biologisch als een gangbaar teeltsysteem werden de maatregelen voor het eerst uitgevoerd in 2006, in 2009 herhaald en met een aantal wijzigingen opnieuw herhaald in 2018. In juli 2018 werden drie typen bodemmaatregelen uitgevoerd: teelt van groenbemesters (gras/klaver, tagetes en een mengsel van 14 soorten), organische toevoegingen (compost, chitine en haarmeel) en grond ontsmetten (ASD, ontsmetten met zaadmeel of Monam, en ASD gevolgd door toedienen van haarmeel en compost). De maatregelen werden vergeleken met een controle (zwarte braak), die onkruidvrij werd gehouden. In maart 2019 werd de grond in alle velden bemonsterd en werd de samenstelling van de nematodengemeenschap bepaald. Nematoden komen voor op verschillende niveaus in het bodemvoedselweb en verschillen in de mate en snelheid waarin ze reageren op voedselaanbod en verstoring. Daarmee weerspiegelen ze veranderingen in de bodem. De bodemmaatregelen hadden een significant effect op veel van de parameters die uit de tellingen van de nematoden zijn berekend. Het effect van de bodemmaatregelen op de meeste nematodenparameters was groter dan het effect van het teeltsysteem (biologisch versus gangbaar). Weliswaar was door de proefopzet het effect van de bodemmaatregelen preciezer vast te stellen dan dat van het teeltsysteem, maar per saldo was het effect van het teeltsysteem minder groot. Bij een deel van de parameters verschilde het effect van de maatregelen tussen de twee teeltsystemen. Dit was onder andere het geval voor de Enrichment Index (EI) die iets hoger was in het biologische dan in het gangbare systeem. Dit is een indicatie dat in het biologische systeem relatief meer aaltjessoorten voorkomen die voedselrijkere omstandigheden nodig hebben. Dit kan te maken hebben met de bemesting met alleen organische mest en met een groter aantal grondbewerkingen bij sommige maatregelen in het biologische systeem. Het telen van de drie groenbemesters had een vergelijkbaar effect op veel bodemparameters met vooral een verhoogd aantal bacterie-eters en herbivoren, al was het aantal herbivoren lager bij de teelt van tagetes dan bij gras-klaver en het groenbemestermengsel. Het lagere aantal herbivoren was deels toe te schrijven aan het bestrijdende effect op Pratylenchus, maar vooral door een minder sterke toename van het aantal Dolichodoridae dan bij de andere twee groenbemesters. Door de teelt van groenbemesters wordt vers organisch materiaal in de grond gebracht dat wordt verteerd door microorganismen. Dit stimuleert de bacterie-etende nematoden die snel op voedselaanbod reageren (uit de CP-1 groep). In veel opzichten leek de nematodengemeenschap na toedienen van compost het meeste op die van de onbehandelde controle. Het aantal bacterie-eters en herbivoren was vrij laag, terwijl het aantal omnivoren wat hoger was. Met compost wordt organische stof ingebracht die al gedeeltelijk is verteerd, waardoor het bodemleven beperkt extra voedsel beschikbaar heeft. Het effect van toedienen van chitine en haarmeel op de nematodengemeenschap was vergelijkbaar en verschilde in beide gevallen niet sterk van de controle. Wel was er een verschuiving in de Structure Index (SI), door een opstapeling van niet-significante effecten in meerdere groepen. Na de natte grondontsmetting met Monam was de totale dichtheid nematoden zeer laag vergeleken met de andere behandelingen. ASD, ontsmetten met zaadmeel of natte grondontsmetting en de combinatiebehandeling (ASD, haarmeel en compost) hadden in veel opzichten het sterkste effect op de nematodengemeenschap. Het aantal plantenvoeders, predatoren en omnivoren was na deze maatregelen laag. Het aantal bacterie-eters was alleen laag na ASD en ontsmetten, maar juist hoger na de combinatiebehandeling. Na ASD en ontsmetten bestond de groep niet-plantenvoeders vooral uit soorten bacterie- en schimmeleters die minder gevoelig zijn voor verstoring (CP-2). De diverse bodemmaatregelen hadden effect op het bodemleven dat terug was te zien in de samenstelling van de nematodengemeenschap. De verschillen tussen het biologische en het gangbare systeem waren kleiner. Naast effecten op de nematodengemeenschap zijn ook effecten op gewasopbrengst, bodemchemie en ander bodemleven bepaald. Vergelijken van de gegevens kan inzicht geven in relaties tussen maatregelen, gewasgroei en bodem en daarmee mogelijk indicatoren voor bodemkwaliteit opleveren. Dit wordt in een later stadium gerapporteerd.
Original languageDutch
Place of PublicationWageningen
PublisherWageningen Plant Research
Number of pages49
DOIs
Publication statusPublished - 2022

Publication series

NameRapport / Stichting Wageningen Research, Wageningen Plant Research, Business unit Open teelten
No.WPR-OT 925

Cite this