Skip to main navigation Skip to search Skip to main content

Biomonitoringprogramma rond de Reststoffen EnergieCentrale (REC) Harlingen: Januari tot en met december 2025

Research output: Book/ReportReportProfessional

Abstract

Omrin heeft als exploitant van de Reststoffen Energie Centrale (REC) aan de Industriehaven in Harlingen een overeenkomst gesloten met LTO Noord om negatieve effecten op het agrarisch productiemilieu bij exploitatie van de installatie zoveel mogelijk te vermijden. In het kader van de overeenkomst is in 2010 een biomonitoringprogramma geïmplementeerd rond de installatie in aanbouw. De installatie is operationeel vanaf april 2011. In het depositiegebied van de installatie bevinden zich voornamelijk akkerbouwbedrijven, veehouderijen en enkele glastuinbouwbedrijven. Het biomonitoringprogramma rond de REC is in 2025 voortgezet op vier meetpunten rond de installatie en een referentiepunt buiten de invloedssfeer van de installatie. Gedurende het seizoen zijn sterk accumulerende plantensoorten op een gestandaardiseerde wijze geteeld. Na een vaste expositietijd zijn de planten visueel beoordeeld en geanalyseerd op een aantal luchtverontreinigingscomponenten die door de installatie in zeer beperkte mate kunnen worden geëmitteerd. De belangrijkste conclusies zijn: • Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de emissie van de REC van invloed is geweest op de kwaliteit van agrarische gewassen en producten in de omgeving van de installatie; • Het algemene beeld van gemiddelde belastingniveaus op lokaal achtergrondniveau rond de installatie met incidenteel een meetwaarde daar boven komt overeen met dat van voorgaande jaren. Afgezien van kleine fluctuaties tussen jaren is er geen sprake van eenduidig dalende of stijgende trends ten opzichte van de nulmeting uit 2010 (zonder emissie van de REC); • De maximaal toelaatbare cadmiumgehalten van 200 μg kg-1 v.g. (EU, 2008; 2023) werden niet overschreden. De kwikgehalten kwamen redelijk overeen met het achtergrondniveau met uitzondering van een uitschieter in boerenkool. De resultaten laten zien dat er geen sprake is geweest van een potentieel risico met betrekking tot de consumptiekwaliteit van de onderzochte gewassen; • PAK-gehalten op de meetpunten rond de installatie kwamen redelijk overeen met de gehalten op het referentiepunt met uitzondering van een uitschieter in spinazie. Er was sprake van enige variatie in gehalten tussen de verschillende expositieperioden maar dat beeld is gelijk aan voorgaande jaren; • De gehalten dioxinen en dioxine-achtige PCB’s in koemelk bleven ruim beneden de maximaal toelaatbare gehalten van 4 pg TEQ/g vet (EU, 2023) voor koemelk. Er is geen sprake geweest van een potentieel risico met betrekking tot de consumptiekwaliteit van de onderzochte koemelk. De metingen rond de REC laten een licht dalende trend zien; • De atmosferische fluoridenconcentraties waren relatief laag en vormen geen risico voor gevoelige plantensoorten; • Bij de metingen van fluoride in gras zijn vooralsnog geen overschrijdingen geconstateerd van de adviesnorm voor veevoer van 25 μg g-1 d.s. (Gezondheidsraad, 1981). In de winterperiode waren enkele fluoriden gehalten in gras hoger dan het lokale achtergrondniveau. De fluoridengehalten vormen geen risico voor (melk)vee; • In het afgelopen jaar zijn er geen bijzonderheden in de emissiemetingen van REC geconstateerd (Bron: REC); • Er zijn in het afgelopen jaar geen meldingen geweest van schade aan gewassen in de omgeving van de REC.
Original languageDutch
Place of PublicationWageningen
PublisherWageningen Plant Research
Number of pages44
DOIs
Publication statusPublished - 2026

Publication series

NameRapport / Stichting Wageningen Research, Wageningen Plant Research
No.WPR-1577

Cite this