KD-2019-080 Sterftecijfers jongvee (BO-43-013.01-046)

Project: EZproject

Description

De gemiddelde perinatale biggensterfte in Nederland wordt becijferd op 18,5% op gangbare bedrijven (inclusief gemiddeld 6,2% doodgeboren biggen) en op 29,4% op biologische bedrijven (inclusief gemiddeld 6,6% doodgeboren biggen). De literatuur geeft blijk van een grote variatie in biggensterfte, zowel tussen landen, tussen bedrijven, als binnen bedrijven tussen worpen. De Nederlandse sterftecijfers lijken te passen binnen de variatie aan sterftecijfers die in andere landen is gerapporteerd.

Biggensterfte wordt algemeen beschouwd als een multifactorieel probleem. De aangeboren eigenschap om bij iedere bevruchting, een overmaat aan embryos aan te leggen, is door selectie op worpgrootte aanzienlijk versterkt. Daardoor zijn de condities in en buiten de baarmoeder in toenemende mate ontoereikend om de ontwikkeling en de vitaliteit van steeds grotere aantallen biggen te ondersteunen. Met als gevolg meer (premature) biggen met een relatief laag geboortegewicht die net voor, tijdens of net na de geboorte door zuurstofgebrek sterven of, als ze levend worden geboren, niet tijdig voldoende colostrum opnemen, daardoor teveel afkoelen, vitaliteit verliezen en in een neerwaartse spiraal geraken en uiteindelijk sterven. Excellent management zal in de toekomst een belangrijke voorwaarde zijn om de negatieve gevolgen van verdergaande selectie op worpgrootte te compenseren.

De sterfte bij kalveren binnen drie dagen na de geboorte bedraagt op Nederlandse melkveebedrijven 8,5%, gemiddeld over vijf jaar. Tot en met de eerste 14 dagen na de geboorte was dit 11,5%. De sterfte van kalveren van meerderekalfs- (4,9%) en eerstekalfsdieren (13,1%) verschilt aanzienlijk, waarbij de sterfte bij kalveren van eerstekalfsdieren tussen bedrijven varieerde van 2 tot 28%. Inzicht in oorzakelijke verschillen in management tussen bedrijven met veel en weinig vroege sterfte is beperkt. De cijfers uit verschillende landen zich om diverse redenen niet gemakkelijk vergelijken. Waar deze vergelijking desondanks verantwoord wordt geacht, lijkt het niveau van kalversterfte gedurende de eerste twee weken na de geboorte in Nederland met 11,5% relatief hoog.

Ook bij kalveren is vroege sterfte een multifactorieel probleem en veelal een combinatie van diergebonden eigenschappen, infectieziekten en suboptimale huisvesting en management. Onvoldoende toezicht, meer HF-bloed en inteelt lijken de bij de eerstekalfsdieren de overlevingskansen van kalveren te verminderen. Van factoren als regio en seizoen is niet duidelijk hoe ze de vroege sterfte beïnvloeden. Naast preventieve gezondheidszorg en de aankoop van vee, lijkt ook de mind-set van melkveehouders aangaande kalversterfte een rol te spelen. Een groot deel van de vroeg gestorven kalveren is mogelijk levensvatbaar als er tijdig geboortehulp wordt geboden, het kalf wordt geholpen met opstarten en deze tijdig voldoende biest opneemt. Toekennen van de nodige prioriteit (aandacht, middelen, inzet) bij alle betrokken partijen wordt beschouwd als belangrijke maatregel om kalversterfte terug te dringen.

Over vroege sterfte van lammeren op Nederlandse melkgeitenbedrijven is geen wetenschappelijk onderzoek gepubliceerd; betrouwbare cijfers ontbreken. Evenmin zijn de oorzaken van vroege sterfte bij melkgeitenlammeren systematisch onderzocht. Aangegeven wordt dat deze deels vergelijkbaar zijn met de oorzaken van sterfte bij schapenlammeren. Met als belangrijk verschil dat melkgeitenlammeren niet door de moeder worden grootgebracht, maar kort na de geboorte van de moeder worden gescheiden. Net als bij biggen en kalveren is de oorzaak van lammerensterfte multifactorieel en zijn er geen breed toepasbare maatregelen mogelijk, anders dan in de volgende algemene termen: optimale voeding van (moeder)geit en lam; adequate bewaking van het geboorteproces; goede sanitaire voorzieningen tijdens de lammerenopfok en implementatie van preventieve gezondheidszorg.

Voor een succesvolle benchmarking is het van belang om de volgende punten zorgvuldig te overwegen. Vroege sterfte, moet éénduidig, alleszins verantwoord en praktisch bruikbaar op het niveau van het veehouderijbedrijf kunnen worden vastgesteld. De registratie van vroege sterfte moet sluitend zijn. Bij de destructie van kadavers worden biggen en geitenlammeren niet individueel geregistreerd. De verantwoordelijkheid voor deze registratie ligt dus exclusief bij de varkens-, respectievelijk de melkgeitenhouder. Sancties zullen dan de faalkansen van een volledige registratie vergroten, zonder dat onafhankelijke controle mogelijk is. Ook is de vraag wie in de keten verantwoordelijkheid draagt. Varkenshouders hebben slechts beperkte keuze in (op)fokmateriaal (berenlijn, opfokzeugen). Melkveehouders hebben daarentegen bij de aankoop van sperma en embryos een relatief ruime keuze tussen rassen en daarbinnen voor stieren met specifieke kenmerken. Anders dan bij melkgeiten, bepalen bij varkens en melkvee internationaal opererende fokkerij-instellingen de variatie aan kenmerken in het aangeboden uitgangsmateriaal. Dat maakt ze tot relevante, invloedrijke spelers die mede door hun deskundigheid en toegang tot de praktijk een bijdrage kunnen leveren aan het verder terugdringen van vroege sterfte.

 

StatusActive
Effective start/end date1/01/2031/12/20