KD-2018-109_Toetsingskader domestificatie en beoordeling 30 diersoorten (BO-43-013.02-009)

Project: EZproject

Project Details

Description

In Nederland geldt een verbod op deelname van wilde zoogdieren aan circussen of andere optredens en op het vervoer van die dieren ten behoeve van een circus of andere optredens. Het verbod geldt niet voor aangewezen diersoorten die worden vermeld in bijlage IV bij het Besluit houders van dieren. Dieren van andere dierklassen zoals vogels, reptielen, amfibieën mogen wel optreden in een circus.

De minister van LNV is verzocht om een dertigtal zoogdiersoorten aan bijlage IV bij het Besluit houders van dieren toe te voegen. Dit verzoek vergt een toetsing van de betreffende diersoorten op het al dan niet gedomesticeerd zijn van deze soorten. Een duidelijk onderscheid tussen wilde en gedomesticeerde diersoorten is noodzakelijk om te kunnen beslissen of het gebruik van exemplaren van deze zoogdiersoorten in circussen of andere voorstellingen kan worden toegestaan.

Domesticatie is een gefaseerd proces: het is geen statische toestand en het kan ook worden teruggedraaid. Gedomesticeerde dieren kunnen ook weer verwilderen tot een niveau waarin ze volledig zijn aangepast aan de vrije natuur. Een strikte tweedeling tussen wild en gedomesticeerd past dan ook niet goed bij de glijdende schaal waarop dierpopulaties minder of meer aangepast raken aan het leven dichtbij de mens in door de mens gecreëerde en gecontroleerde omstandigheden. Het is niet goed mogelijk om wetenschappelijk gefundeerd te bepalen in welke mate diersoorten en dierpopulaties zijn gedomesticeerd. Wel zijn er praktisch bruikbare criteria te vinden voor een verregaande mate van domesticatie. Als populaties dieren gedurende tal van generaties in nauw contact met de mens worden gehouden en deze gericht en consistent zijn geselecteerd op voor de mens nuttige kenmerken en eigenschappen, zodanig dat het gedrag, de fysiologie, het voortplantingsvermogen en het uiterlijk van de dieren in vergelijking met hun oorspronkelijke voorouders aan de gehouden situatie zijn aangepast, dan zijn deze populaties in hoge mate als gedomesticeerd te beschouwen.

In dit rapport wordt een praktisch, op wetenschappelijke feiten gebaseerd toetsingskader beschreven waarmee kan worden vastgesteld of een zoogdiersoort in hoge mate als gedomesticeerd kan worden beschouwd, dan wel of er binnen de soort populaties bestaan die in hoge mate zijn gedomesticeerd. Daarbij is tevens aangegeven of en hoe in de praktijk kan worden vastgesteld of exemplaren van een diersoort tot een dergelijke soort of populatie behoren.

Aan de begripsomschrijving van domesticatie en de geactualiseerde inzichten in de gevolgen van domesticatie voor het dier (Neijenhuis en Hopster, 2018) zijn vragen (criteria) ontleend die het toetsingskader vormen. Deze achtereenvolgens te doorlopen vragen zijn:

  1. Blijkt uit betrouwbare bronnen dat er exemplaren van de betreffende soort door de mens worden gehouden?
  2. Is er in de beschreven omstandigheden sprake van gerichte, consistente selectie en intensieve fokkerij van individuen met voor de mens nuttige kenmerken en eigenschappen?
  3. Heeft deze fokkerij over generaties heen in de betreffende diersoort of -populatie stabiele veranderingen doen ontstaan in gedrag, morfologie, fysiologie en reproductie (als aangegeven in bijlage 2) waarmee deze zich aantoonbaar onderscheidt van het oorspronkelijke wildtype?

Op basis van het ontwikkelde toetsingskader zijn tenslotte de gevraagde 30 zoogdiersoorten beoordeeld. Van alle dertig beoordeelde soorten zijn er alleen van het edelhert (Cervus elaphus) en het damhert (Dama dama) populaties beschreven die een beperkte mate van domesticatie hebben ondergaan. Van stabiele veranderingen in gedrag, morfologie, fysiologie en reproductie, zoals aangegeven in bijlage 2 is echter geen sprake. In het algemeen is er bij geen van de beoordeelde dertig soorten dan ook sprake van populaties die in hoge mate als gedomesticeerd zijn te beschouwen.

StatusFinished
Effective start/end date1/01/1831/12/19