Staartbijten en genetica

Press/Media: Public Engagement Activities

Description

Welke invloed heeft erfelijke aanleg op staartbijten. Daarover is weinig bekend in de literatuur. Naomi Duijvesteijn zette in het kader van haar promotieonderzoek de beschikbare informatie op een rij en deed gedragsonderzoek naar op het Topigs-proefbedrijf in Beilen. Duijvesteijn maakt onderscheid tussen bijters, slachtoffers en neutrale varkens. Neutrale varkens zijn dieren die niet bijten, maar ook niet gebeten worden. Een neutraal varken blijkt te beschikken over andere genen. ,,Ze hebben een ander metabolisme, zijn minder verkennend en hun immuun systeem reageert anders. Bijters zijn stressgevoeliger.’’ Verrassend is dit niet, geeft Duijvesteijn aan. Onderzoek naar verenpikken bij kippen laat een vergelijkbaar beeld zien. Verder vond Duijvesteijn dat er een duidelijk verband is tussen staartbijten en de productiekenmerken. Zo blijkt dat hoe hoger de magere groei is, des te meer er wordt gebeten. Het omgekeerde geldt voor de spekdikte. Hoe dunner dat is, hoe meer er wordt gebeten. Verschil in de mate van staartbijten tussen lijnen bevestigt dat. Uit een onderzoek tussen Large White en Landrace blijkt dat bij de laatste staartbijten meer voorkomt. Bovendien ligt de erfelijkheidsgraad voor staartbijten bij Landrace op 27 procent. Large White heeft er geen erfelijkheidsgraad voor. Sociale fokwaarde Ook de sociale interacties tussen dieren zijn genetisch bepaald. Duijvesteijn en andere AIO’s binnen het Seeking Sociable Swine Project (Nanda Ursinus, Irene Camerink en Inonge Reimert) maken onderscheid in hoge en lage fokwaarde voor sociaal gedrag. Dieren met een lage sociale fokwaarde zijn dominant en groeien ten koste van de rest van de koppel. ,,Daarom moet je groei eigenlijk beoordelen aan de hele koppel en niet aan het individuele dier’’, aldus Duijvesteijn. Uit onderzoek dat Duijvesteijn in Beilen deed blijkt, dat dieren met een lage sociale fokwaarde meer oorbijten, meer staartbijten en meer jutezakken consumeren. ,,Hun behoefte aan orale manipulatie is groter.’’ Ook blijkt het haptoglobinegehalte in het bloed van deze dieren hoger is. Op stro gehouden dieren vertonen minder de neiging tot staartbijten dan dieren die niet op stro worden gehouden. Het effect van houden op stro is ook groter dan het gebruik van een beer met hoge of lage fokwaarde voor sociaal gedrag, geeft Duijvesteijn aan. Zij deed onderzoek bij een generatie. Wellicht dat het effect groter is, wanneer er langer wordt gefokt op sociaal gedrag. ,,Fokken op hoog sociaal gedrag lijkt perspectief te bieden als het gaat om staartbijten. Een richting die zeker nader verkennen waard is’’, aldus Geert van der Peet van Wageningen UR Livestock Research, die de werkgroep leidt.
Period12 Nov 2012

Media coverage

1

Media coverage